De grote oceaanweg

Totaal heb ik een minuut of 30 in Melbourne gespendeerd. Ik heb kunnen doen waar ik voor gekomen ben. Ik loop het winkelcentrum uit waar ik mijn fotocamera heb kunnen maken. Verder heb ik op dit moment hier niks meer te zoeken; ik kan namelijk wel wat andere plaatsen bedenken waar ik nu liever heen ga.
In tegen stelling tot het inrijden van de stad kan ik bij het uitrijden hiervan wel een aantal foto’s schieten van de met graffiti bespoten muren. Ik heb er een aardig tempo inzitten. Dat is ook wel nodig want mijn lichten doen het niet meer. Verder rij ik dezelfde weg terug als waar ik over gekomen was. Dat laatste stuk is 40 kilometer over de vluchtstrook van de snelweg. Mooi voor zonsondergang eindig ik de rit van totaal 151 kilometer. Ironisch genoeg kampeer ik naast een tankstation, slechts 20 kilometer verwijderd van de kampeerplek van de afgelopen nacht. Vandaag was de langste rit van het afgelopen jaar. Niet alleen vandaag heb ik flink doorgereden; de afgelopen drie dagen heb ik bij elkaar flink wat kilometers weggetrapt; wel 437. Het is de langste afstand die ik ooit in drie dagen gereden heb.

Eenmaal voorbij de stad Geelong, waar ik snel nog even een binnenbandje in heb kunnen slaan, laat ik het tempo, de hectiek van de stad, de snelweg en alle statistieken achter mij. Het avontuur gaat nu beginnen waarvan ik mij enkele dagen terug noodgedwongen voelde om van af te moeten wijken. Bij het kustplaatsje Torquay kijk ik uit op de kalksteen rotsformaties, surfers wachten geduldig op de juiste golf, terwijl de overige golven ritmisch tegen de rotsen slaan en hun weg in een explosie van wit omhoog vervolgen. Middels een trail beklim ik de rotsen. Op het hoogste punt neem ik de tijd om het weidse uitzicht tot mij in laten werken. Ik sta aan de voet van het laatste item op mijn Australische bucketlist; de enige echte, the Great Ocean Road.

De aanleg van deze spectaculaire kustroute is in gang gezet door veteranen, vlak na de eerste wereld oorlog. De weg dient als eerbetoon aan de gevallen soldaten. Hiermee is dit het grootste herdenkingsmonument ter wereld. De weg werd destijds volledig met de hand gedaan. Duizenden veteranen werkten vele jaren samen met schoffels, schep, explosieven en kruiwagens. De voortgang ging met gemiddeld drie kilometer per maand traag en moeizaam. Achter iedere bocht schuilde een serie van nieuwe onvoorziene hindernissen. ’s Nachts verbleven de werkers in tenten om overdag weer door het ruige landschap heen te bikkelen. Niet altijd werd er even hard gewerkt. Tijdens de jaren van de bouw is een bevoorradingsschip op het nabij gelegen rif vast gelopen. Toevallig was het schip afgeladen met bier. Duizenden fusten spoelden aan bij de werkers. Hierdoor werd er onverhoopt een drink pauze ingelast welke maar liefst twee weken besloeg. Wat kan ik zeggen; zo gaat dat in Aussie, weggooien is zonde.

Dat de weg een van de mooiste kustroutes ter wereld is blijkt al heel snel. Ik ben mij bewust van de essentie om deze route met onafhankelijk vervoer af te leggen. Of je hier nou doorheen trekt met je Volkswagen hippie busje, een Harley Davidson, op de fiets, middels de benenwagen of op een skateboard maakt niet uit; zolang je maar de vrijheid van de weg proeft. Het wachten in een toeristenbus om op de bestemming aan te komen lijkt mij zo’n gemis. Kronkelend door heuvels en kliffen wordt het ene prachtige uitzicht met de volgende afgewisseld. Achter vele bochten schuilen privé stranden. In de buurt van de dorpjes proberen surfers de golven te temmen. De weg openbaart de mooiste plekjes; spectaculaire rotsformaties bewonderd vanuit hoge uitkijkpunten. ’s Avonds sla ik af op één van de vele wandelpaden om zo vanuit mijn eigen kampeerplekje de zon achter de oceaan zien te verdwijnen. Hier bij the Great Ocean Road is de weg de bestemming. Zoals het altijd zou moeten zijn.

Langs de weg passeer ik een cafeetje. Het opschrift zegt “Koala café”. Toevallig weet ik dat er meerdere plekken op de route liggen waar meestal wilde koala’s gespot kunnen worden. Misschien dat er hier wel een aantal zijn. Ik besluit eens op onderzoek uit te gaan. Ik parkeer Bandhoo tegen een boom. Overal zitten kleurrijke tropische vogels. Vrijwel direct word ik aangesproken door Lance en Alexa; een Australisch stelletje. Ik antwoord een paar vragen over mijns reis en spreek mijn wens uit om een koala in het wild te zien. “Dat willen wij ook”, zegt Lance, “Wij komen dan wel uit Australië, maar ik heb er nog nooit eentje in het wild gezien” voegt hij er aan toe. We lopen samen een rondje en staren ondertussen door het bladerdek, speurend naar een grijs beertje. “Daar zit er een!” roept Alexa. Hoog bovenin een boom zit een grijs harig bolletje. Hij slaapt en heeft zijn kop opgerold tussen zijn achterpoten. Ik probeer een juiste positie te vinden om een mooie foto te kunnen maken. Nog voordat ik geschoten heb roept Alexa “Wooow! Daar zit er eentje echt super laag!”. Vol enthousiasme rennen we naar een arm dun boompje van nog geen vier meter hoog. Op nog geen drie meter hoogte zit een actieve koala te eten. Hij blijkt er totaal geen probleem mee te hebben om model te staan voor ons. We kunnen ons enthousiasme niet op. Wat een mazzel om een koala van zo dichtbij, zo goed zichtbaar en zo actief te mogen zien.
Er zijn meerdere mensen om ons heen. Sommige voeren de aanwezige tropische vogels zaadjes. Als gevolg worden zij volledig belaagd en beklommen. “Misschien heb ik wel een muesli reep” zeg ik tegen Alexa. In mijn stuurtas blijkt inderdaad nog een laatste reep te zitten. Met een mes snij ik de laag chocolade er af. Ik brokkel de reep in stukjes en deel met Lance en Alexa. Direct worden ook wij volledig belaagd door deze kleurrijke maar iets wat opdringerige beestjes. Op al onze gezichten verschijnt er van oor tot oor een glimlach. De route is zo waanzinnig mooi, ik heb voor het eerst een wilde koala gezien en nu eet er een soort parkiet stukjes muesli uit mijn mond.
Ik wissel contactgegevens met het stelletje uit, geef ze een stevige knuffel en met een lach op het gezicht en een fantastisch ‘feel good’-gevoel fiets ik verder.

Vlak voor zonsondergang beklim ik de heuvels die van Apollo Bay naar Lavers Hill leiden. Vanaf deze heuvel is er aan de ene zijde een bijzonder uitzicht op de oceaan. De andere zijde toont een wolkendek wat langzaam dicht trekt terwijl een regenboog helder tegen de voet van de berg afsteekt. Mooi, maar een heel slecht voorteken.

Het wandelpad waar ik de voorgaande avond mijn tent op heb gezet is veranderd in een grote modderbaan. Afgelopen nacht heeft het behoorlijk gestormd, een storm die nog niet voorbij is getrokken. De lucht is volledig grauw en de constante stroom aan regenwater sijpelt steeds dieper door mijn kleding heen. Compleet nat geregend, en verkleumd van de kou rij ik Lavers Hill binnen; het hoogste punt van the Great Ocean Road. Bij een roadhouse duik ik naar binnen. Je houdt het niet voor mogelijk hoe erg ik toe ben aan een warm drankje. Mijn verzoeken worden verhoord. Het roadhouse is vrijwel leeg, zo ook het plekje recht voor de houtkachel. Mijn doorweekte jas, schoenen en sokken zet ik voor de kachel terwijl ik ook zelf langzaam maar zeker weer opwarm. Met een kop cappuccino maak ik gebruik van deze mogelijkheid om de komende route eens een beetje door te nemen. “Jim! Dat is toevallig!” klinkt er ineens. Het is Justin; een Australische jongen die ik twee dagen terug ontmoet had. Hij maakt een roadtrip samen met drie vrienden. Onderweg hadden ze een groep meiden leren kennen en op het moment rijden ze met zijn achten. Met zijn negenen zitten we om de houtkachel. Wanneer ik nog een cappuccino bestel bij de Indiase jongen achter de bar vraagt hij verbaasd “Horen jullie bij elkaar?”, aangezien hij mij aanzienlijk eerder alleen had binnen zien komen. “Niet echt, ik ben ze een paar dagen terug even kort tegengekomen. De jongens zijn een aparte groep, de meiden zijn apart en ik reis alleen. We zijn gewoon even bij elkaar aan tafel geschoven” antwoord ik. De man moet lachen “Ik dacht dat jullie elkaar al jaren kenden”; zo voelde het ook voor mij.
De groep bestelt lunch. Iedereen is op verzoek van Justin even stil. Vervolgens voert hij het gebed. Hij bedankt voor het eten en dat we deze mooie dag allemaal met elkaar mogen delen. Ik ben even verbaasd. Het was een vooroordeel maar ik had Justin zeker niet religieus ingeschat. Hoewel ik zeer geïnteresseerd ben in alle religies beschouw ik mijzelf als atheïst, toch zet gebedje van Justin mij aan het denken. Ik zou eigenlijk ook wel vaker mijn waardering uit mogen spreken voor het eten wat ik heb, het gezelschap om mij heen en de mooie dagen die ik mee mag maken. Waardering hoeft niet per definitie naar een hogere macht uitgesproken te worden, je kan ook in het algemeen dankbaar zijn. Ik besluit dat ik hier bewuster mee om wil gaan.
Uiteindelijk nemen de roadtrippers afscheid van mij. Daarbij krijg ik het album in mijn handen gedrukt van Justin; die muzikant is. Ik blijf nog heel even zitten totdat mijn elektronica volledig opgeladen is. Uiteindelijk is mijn kleding droog, de route uitgestippeld en de cappuccino op. Tijd om te gaan.

Buiten regent het uiteraard nog steeds. Ik rij daarom wat voorzichtig de heuvel naar beneden. Het is vrijwel één lange afdaling naar beneden. Beneden aangekomen rij ik weer over de kliffen direct langs de kust. Uiteindelijk breken de wolken boven de oceaan open terwijl het dreigende wolkendek over het vasteland heen trekt. Één van de wijsheden die ik tijdens mijn reis geleerd heb is dat een lekke band soms fantastisch uitpakt. Alles gebeurd voor een reden. Zo ook het slechte weer van vandaag. In eerste instantie heb ik daardoor een paar uur met Justin en zijn vrienden kunnen doorbrengen en vervolgens heb ik een ongelofelijk uitzicht over de twaalf apostelen.
De twaalf apostelen zijn één van de hoogtepunten van the Great Ocean Road. Daarnaast is het, samen met Ayers rock en het Operahuis in Sydney, één van de meest iconische beelden van Australië. De erosie door het water in combinatie met het onvoorspelbare ruige weer over de zuidelijke oceaan heeft over een termijn van vele duizenden jaren flinke schade toegebracht aan de kust. Dit verschijnsel ziet er prachtig uit. Grote kalksteen pilaren zijn van het vaste land gescheiden. De rotsen zijn vrijwel loodrecht uitgesneden waardoor je wel vijftig meter recht naar beneden het water tegen de rotsen ziet beuken. Enkele van deze pilaren zijn door de jaren heen ingestort, maar op het moment staan er nog acht overeind.
Zoals ik zei; alles gebeurd met een reden. Vandaag is niet anders. Hier bij de twaalf apostelen is een fenomenaal beeld ontstaan. Een blauwe lucht, dreigende grauwe wolken, een gele gloed van de naderende zonsondergang welke reflecteert in het water, de ruige zee die het water wit doet kolken, in combinatie met het dramatische kalksteen landschap, en ohja had ik al verteld dat er ook een regenboog aan de horizon recht omhoog steekt terwijl een watervalletje van de kliffen stroomt? Het is de perfecte setting voor deze prachtige plek. Één van de magische momenten hoe alles perfect samen valt, het juiste moment, de juiste plek onder de juiste omstandigheden. Ik hou mijn handen voor mijn gezicht in een ‘namaste’, zo bedank ik op mijn manier voor dit moment.

Ik had mij voorgenomen om vanavond in Port Cambell op een camping of in een hostel te overnachten. Inmiddels is het alweer ruim twee weken geleden dat ik voor het laatst voor mijn accommodatie betaald heb. Wanneer ik de prijzen via internet bekijk verander ik echter snel van gedachten. Op een steenworp afstand van de twaalf apostelen duik ik een paadje in om zo bij mijn rustplek voor de nacht uit te komen. ’s Morgens blijkt dat op nog geen 200 meter van mijn slaapplek meerdere bezienswaardigheden zitten. Zo komt het verdraaid goed uit dat ik gisteravond niet door gereden was naar Port Cambell. Het is het laatste staartje van the Great Ocean Road maar de plekjes zouden een groot gemis zijn geweest. De woeste zee heeft net als bij de twaalf apostelen indrukwekkende schouwspelen in het kalksteen gegraveerd. Een van de uitkijkpunten, Loch Ard Gorge, is vernoemd naar een schip wat hier is gekapseisd. Ook vandaag is de zee wild, er staat veel wind, welke krachtige golven met zich mee brengt. Het landschap is ruig maar vandaag is de zee nog ruiger. Wat een plek om van je eerste bakkie koffie van de dag te genieten.
Wanneer ik op een rots klim om een foto te maken lijkt het even goed mis te gaan. Ik heb mijn camera bovenop mijn koffiekop gezet om zo een selfie te kunnen maken. De wind is echter te sterk en blaast de camera omver. Deze stuitert vervolgens naar beneden en dreigt een meter of 50 naar beneden op het strand kapot te slaan. Het geluk staat aan mijn zijde. Twee meter lager steekt er een plateau een beetje uit. Exact op het randje blijft mijn camera liggen. Steentjes die mee gerold zijn maken wel de volledige val naar beneden. Mijn camera mag dan wel niet helemaal naar beneden gevallen zijn, maar wel ligt deze op een levensgevaarlijke plek. Hoe ga ik deze nou pakken? De camera laten liggen of verder naar beneden gooien is voor mij geen optie. Ik pak de randen van de klif vast en laat mij twee meter naar beneden vallen. Het plateau is nauwelijks sterk genoeg om de klap op te vangen en meer zand en stenen vallen naar beneden. Snel gris ik naar mijn camera, waarvan de lens met het zand en stof bedolven zit. Middels een paar plantjes poog ik mijzelf weer omhoog te trekken. Het brakke kalksteen scheurt en een van de plantjes laat gedeeltelijk los. Op dat zelfde moment weet ik met die hand de top van de rots vast te pakken en ik trek mijzelf weer heelhuids naar boven. Het moment was letterlijk een cliffhanger en dat zo op de vroege ochtend. De adrenaline pompt nog door mijn lichaam, snel ga ik van de rotsen af. Na het zand en stof van mijn camera afgeblazen te hebben zet ik deze even uit en weer aan. Wat een opluchting, hij doet het nog.

Direct naast Loch Ard Gorge liggen nog een paar andere bezienswaardigheden. Het idee komt telkens op hetzelfde neer al is iedere plek op zijn eigen manier weer uniek. Het is een prachtig toetje van deze geweldige kustroute. Uiteindelijk rij ik verder en arriveer in Port Cambell. Daarmee is er een eind gekomen aan mijn avontuur over the Great Ocean Road en kan ik deze route van mijn checklist afvinken. Ik had er niks van willen missen en ik kan bevestigen dat de naam the Great Ocean Road een zeer gepaste naam is.

Eerder in Lavers Hill heb ik natuurlijk mijn route verder uit zitten stippelen. Ik ben continu naar het westen gefietst maar moet het hele stuk weer terug naar het oosten om uiteindelijk in Melbourne mijn vlucht terug naar Nederland te pakken. Daarvoor heb ik nog wel ruim de tijd, elf dagen om precies te zijn. Ik heb al aardig voor ogen hoe ik deze tijd wil gaan spenderen; offroad in The Great Otway National Park. Het regenwoud wat zich over de heuvels heeft uitgestrekt.

Ik wijk direct van de grotere wegen af en trek via boerenweggetjes de heuvels in. Ik moet even niets meer van het degelijke asfalt weten. De route langs de kust was natuurlijk geweldig, maar nou ben ik wel toe aan wat uitdaging. Even weg van het toerisme, weg van overig verkeer en lekker door de ongerepte natuur heen. Het duurt niet lang voordat ik gevonden heb waar ik naar opzoek was. Dichte bebossing van varens en bomen, het gezang van vogels terwijl steentjes knarsend onder mijn banden wegspringen. De rest van de dag vermaak ik mij op deze wijze moeiteloos.
De volgende ochtend heb ik het kleine dorpje Gellibrand bereikt. Op het moment nadat ik bij de twaalf apostels was heeft heeft het de afgelopen drie dagen vrijwel onafgebroken geregend. Daarom maak ik dankbaar van de gelegenheid gebruik om even in een cafeetje op te warmen en tevens mijn elektronica weer verder op te laden. Eenmaal weer voorzien van een stabiele lichaamswarmte stap ik weer op. Ik rij een klein stukje terug om zo een mountainbike en hike route op te pakken genaamd Old Beechy Rail Trail. Deze volgt een oude spoorbaan route door het regenwoud. Vroeger was dit de meest zuidelijke treinrails van Australië. Al snel blijkt deze trail een uitstekende keus te zijn. Mede door het slechte weer is het compleet verlaten. De route doorkruist een paar spectaculaire plekjes in de jungle en heeft mooie uitzicht punten over het heuvellandschap. Geregeld is hierachter de oceaan aan de horizon zichtbaar. Af en toe kom ik langs een hindernis en is er een boom over de trail gevallen. Hierdoor ben ik genoodzaakt even takken te breken om zo een opening te creëren waar ik Bandhoo doorheen kan tillen.

Het weer is belabberd, inmiddels is het zelfs gaan hagelen, maar dit zorgt wel voor spectaculaire beelden. De trail veranderd in een laag modder en weerkaatst het zonlicht wat sierlijk door het bladerdek zijn inval maakt. Bladeren flikkeren om mij heen terwijl de wind ze heen en weer doet wapperen. Ondertussen vallen de hageldruppels als kristallen naar beneden en reflecteren het zonlicht. Als je er zo ver na denkt het is weer helemaal niet zo belabberd.

De route passeert een boerderij. Onder een boom springt ineens een pasgeboren kalfje op. Het kalf lijkt echt wel net geboren te zijn. Hij struikelt over zijn poten en heeft moeite om zijn evenwicht te bewaren. Aan zijn buik bungelt een navelstreng maar zijn moeder is nergens te bekennen. Ook bevind het beestje zich midden op het pad terwijl de weilanden voor de koeien met hekken is afgesloten. Ik heb het idee dat het kalfje onverwachts geboren is en op de een of andere manier door het hek is geklommen. Het beestje probeert van mij weg te komen. Zo laat ik mijn fiets even achter en probeer hem in de richting van de boerderij te geleiden. Uiteindelijk komt er een groep volwassen koeien aangerend. Een van de koeien is wel heel enthousiast. Dit is zonder twijfel de moeder. Ik besluit het kalf maar terug in deze wei te begeleiden. Iets wat makkelijker gezegd dan gedaan is aangezien het beestje doodsbang is. Tot slot leid dit tot het punt dat het kalfje helemaal weg loopt. De koeien rennen er achter aan maar uiteindelijk stuiten zij op het einde van de wei. Wat moet ik hier nou mee? Misschien als ik hem maar laat gaan dat de boer hem vindt, immers loopt hij nu naar de schuur toe. De moeder koe kijkt mij aan met een blik van “Sta daar niet zo te kijken, breng mijn kind hierheen!”. Ik haal mijn schouders op, pak Bandhoo er bij en fiets achter het kalf aan. Uiteindelijk weet ik hem te passeren en kan hem zo weer terug naar de wei geleiden. Bandhoo zet ik aan één kant neer en zelf sluit ik hem in vanuit de andere kant. Hij kan nog maar één kant op. Hij klunst even om alle vier de poten door het hek heen te zetten maar uiteindelijk hupt hij er ook met zijn achterlijf overheen. Moeders snelt naar hem toe en de groep koeien vormen een beschermende kring om hem heen. Niet meer zomaar weg lopen kleintje!

Ik vervolg mijn route weer over de Old Beechy Rail Trail. Terug in het regenwoud moet ik even over de volgende omgevallen boom heen zien te komen. De heuvel die ik zojuist beklommen heb loopt stijl naar beneden. Het wegdek is een dikke laag modder. Ik probeer voorzichtig af te dalen. Al snel merk ik dat mijn remmen geen grip meer hebben. Ik kan wel remmen, maar glij gewoon net zo hard door. De snelheid waarmee ik naar beneden dender neemt in een fractie van een seconde enorm toe. Aan het einde van de afdaling zie ik een afgrond en een scherpe bocht naar rechts. Geen prettig gezicht wanneer je met een kilometer of 40 per uur ongecontroleerd naar beneden glijdt. In een reflex knijp ik nogmaals mijn achterrem stevig in en sla het stuur opzij. Bandhoo raakt in de slip en het achterwiel schuift naast het voorwiel. Op dat moment vang ik mijzelf met mijn arm op en glij een meter of tien door naar beneden. Van top tot teen zit ik volledig onder met een dikke laag modder. Ook de zijkant van Bandhoo ziet er uit als een melkchocolade bonbon. Ik haal opgelucht adem, de noodlanding was prima verlopen en voor mij had ik zeker nog wel een meter of tien over voordat ik de afgrond ingegleden zou zijn. Niks aan het handje.
Deze situatie mondt uit in een van de fysiek zwaarste momenten van de afgelopen maanden. De modderbaan naar beneden glijden ging onverwachts veel soepeler dan geplant. Maar hoe glibber ik nou weer naar boven? Het stijgingspercentage is vrijwel zonder twijfel de steilste die ik in Australië gezien heb. Op zich helemaal geen probleem, behalve dat het nu spiegel glad is. Omhoog fietsen is absoluut onbegonnen werk. Maar de fiets omhoog duwen met bagage en al blijkt niet veel makkelijker te zijn. Bij iedere stap die ik zet glij ik weer terug naar beneden. Hou ik Bandhoo scheef dan glijdt hij genadeloos naar beneden. De banden geven niet genoeg frictie om te blijven staan. Het is een constante worsteling om stapje voor stapje omhoog te lopen en de druk die ik zet om Bandhoo mee te krijgen kan ik geen seconden verzwakken. Al met al kost het mij zo’n tien minuten om de honderd meter naar boven te lopen. Een gemiddelde snelheid van een halve kilometer per uur. Bovenaan gekomen trillen mijn handen, ik sta met knikkende knieën en mijn bovenarmen zijn volledig verzuurd. Maar wat maakt het allemaal uit? Ik sta boven.
Hiermee ben ik bij het laatste station van de Old Beechy Rail Trail uitgekomen. Direct aan het einde staat een soort overdekt openlucht museum met informatie over de treinlijn en de huidige trails. Gelukkig is daar een openbaar toilet waar ik het modder van mij af kan wassen. Ik zet een kop koffie en schuil even in het museum voor de regen. De actie met de laatste helling heeft me letterlijk helemaal gesloopt. Eigenlijk voel ik er wel wat voor om vannacht gewoon hier in het museum te overnachten. Droog en overdekt, geen tentje nodig, ik leg gewoon mijn slaapmat op een bankje.
Terwijl ik aan mijn koffie nip bekijk ik even de kaart. Zo kom ik er achter dat op een paar kilometer afstand een waterval is met daarnaast een gratis kampeerplaats. Weet je wat, dan doe ik dat wel even. Tot mijn grote vreugd is de gehele route, zo’n kilometer of acht, alleen maar bergafwaarts. Zo rol ik moeiteloos het kampeerterrein op. Daar aangekomen laat ik al mijn spullen direct achter. Ik haast mij naar de waterval, welke middels een hiking trail van twee kilometer bereikt kan worden. De zon gaat namelijk onder en ik zou graag de waterval nog even willen zien.
Redelijk op de valreep kom ik weer naar boven geklommen. Ik had nog net voor het donker enkele foto’s kunnen maken. Maar morgen moet ik  hier toch echt nog even terug komen. Met het laatste fractie daglicht zet ik mijn tent op. Qua afstand heb ik niet gek veel afgelegd maar het was een pittige dag. Snel de tent in, morgen wacht een nieuw avontuur.

Gewapend met een kop koffie in de ene hand en een camera in de andere loop ik het hiking trail weer naar beneden om de Beauchamp Falls nog eens goed te kunnen bewonderen. Vanuit verschillende richtingen komen smalle stroompjes naar beneden. Steeds meer komen deze samen en groeit de hoofdstroom steeds iets groter uit. Toch is het gemakkelijk om op verkeerd been gezet te worden. Het stroompje stelt nauwelijks iets voor. Tot slot loopt een trap gemaakt van stenen naar beneden. Van achter de varens klinkt een luid gebulder. Komt dit echt allemaal van dat kleine stroompje boven? Dat komt het inderdaad. Het is een paradijsje op aarde.
Na mijn spullen weer ingepakt te hebben fiets ik enkele kilometers verder. Daar wacht de Hopetoun Falls op mij, de tweede waterval van de dag. Ook deze plek is net zoals de vorige werkelijk waar een prachtig plaatje. Het is een rustmomentje wat ik even goed kan gebruiken. Rustig wat mooie plekjes bekijken alvorens weer verder rond te trekken.

Een trail leid mij terug naar Apollo Bay; wat halverwege the Great Ocean Road ligt. In eerste instantie was ik niet van plan deze richting op te gaan. Mijn voedselvoorraad wordt echter schaars en naast een supermarkt in Apollo Bay zit er vrijwel niets in de buurt. De trail leid middels een mooie route naar beneden. Daarbij moet ik nog wel even mijn weg door een omgevallen boom vinden die de weg verspert.
Na het trail een aardig stuk afgedaald te hebben kom ik langs een boerderij. Voor de ingang staat een pickup truck geparkeerd. Een oudere man is in de laadbak aan het werk. Ik roep hem gedag terwijl ik hem passeer. Hij had niemand verwacht en schrok zich even een hoedje. “Wow mate, ya’ spooked me! Didn’t hear ya’ commin’. Where ya’ from?” roept hij enthousiast. “Well my! A Dutchie! Een Nederlander!” roept hij uit. Een Nederlander? Even ben ik in de war en ik antwoord “Yeah mate, that’s right, cycling Dutchman”. “Dat is lang geleden, ik heb in geen tijden een Nederlander meer gezien” voegt hij er in het Nederlands aan toe. “Kom je ook uit Nederland?” vraag ik met stomheid geslagen. Vervolgens verteld de boer mij zijn levensverhaal. Hoe hij 57 jaar terug als 16 jarige jongen uit de buurt van Twente naar Australië geëmigreerd is. Hoe hij samen met zijn broertje rond moest zien te komen. Hij scharrelde verschillende baantjes bij elkaar; werkte op een vissersboot, en een boerderij. Toen de economie verder aantrok heeft hij zijn stoute schoenen aangetrokken en samen met zijn broertje een grote lap land gekocht. Hij vond een vrouw die hem de rest van zijn leven gelukkig wist te maken al kon ze hem geen kinderen schenken. Tijdens de lentes en de zomers verdiende hij goed door het werk wat hij verzette op zijn landgoed. De winters waren lastiger om door te komen. Zo sloot hij een lening af en kocht een vissersboot. Zo spendeerde hij negen maanden per jaar op zijn land en drie op de zee. Hij kon zich geen beter leven wensen. “Ik vind het heerlijk om op het land bezig te zijn. En de open zee is naast mijn vrouw mijn grootste liefde. Ik doe iedere dag wat ik het liefste doe. Ik werk niet, ik leef en daar verdien ik toevallig geld mee” verklaart hij, inmiddels in het Engels aangezien zijn Nederlands niet meer zo goed is als dat ooit was. Zijn woorden blijven door mijn hoofd spoken, hij zal zware tijden gekend hebben maar als hier zijn passie altijd heeft gelegen heeft hij helemaal gelijk. “Kijk, zie je die bergtop daar” zegt hij terwijl hij naar de bergtop wijst van de heuvel waar wij op staan. “Dat is mijn berg, vanaf daar heb ik uitzicht op de gehele omgeving. Mijn vrouw stond daar vroeger op mij te wachten en zag mij vanaf daar van verre aan komen varen. Inmiddels zijn we daar al jaren niet geweest, mij te stijl”. Hij geeft mij een zak appels mee en we nemen afscheid. Ik excuseer mij nog even “Sorry, ik ben heel slecht met namen, hoe heet u ook alweer?” vraag ik. “Bas” zegt hij. Ik kan een glimlach niet onderdrukken “Ohja, Bas. Lekker Nederlands”. Ik bedank hem voor zijn verhaal en de appels. Vervolgens zet ik af en Bandhoo rolt Bas zijn berg af Apollo Bay in.

Na mijn voedselvoorraad weer voor bijna een week aangevuld te hebben verlaat ik Apollo Bay. Bas had mij aangeraden hier bij een hostel te overnachten. Als ik terug naar het regenwoud wil moet ik een flinke berg op klimmen, dat ga ik volgens hem voor het donker niet meer redden. Ik had hem verteld dat ik even zou gaan kijken naar wat ik zou gaan doen. Toch wist ik eigenlijk al, eigenwijs zoals ik ben, dat ik vanavond gewoon weer in mijn tentje zou liggen.
Zo begin ik een kilometer of vijf ten oosten van Apollo Bay aan de klim van Mount Sabine. In tegenstelling tot het meeste advies wat ik van mensen krijg blijkt Bas toch een goed punt gehad te hebben. Tegen zonsondergang heb ik de pakweg 700 meter hoge berg vanaf zeeniveau beklommen. De berm loopt aan de ene kant stijl omhoog en aan de andere kant stijl naar beneden. Ook is alles heel dichtbegroeid. Het valt niet mee om zo aan het einde van de dag een kampeerplek te vinden. Als noodoplossing weet ik gelukkig dat er 20 kilometer verder in het plaatsje Forrest, waar ik nu ook heen rij, een caravanpark zit. Dat betekend wel nog een ritje in het donker door de bergen. Gelukkig hoeft het niet zo ver te komen. Ik zie een doorgang naast de weg welke naar een electrischiteitsmast leid. Eerder hebben deze masten zich al als uitstekende plek bewezen. Effen grond, vaak met gras, goede doorgang vanaf de weg, maar toch ook weer op een mooie afstand daarvan. Zo ook in dit geval blijkt de plek uitstekend geschikt te zijn om de nacht door te kunnen brengen.

Ik stap het sfeervolle café binnen. Uit de speakers klinkt funky rock ’n roll uit de jaren ’70. Ik doe even een bakkie in het plaatsje Forrest. De vrouw die het tentje draaiende houdt is enorm opgewekt. Ik praat met haar over de omgeving. Tot enkele jaren terug leefde de bewoners hier voornamelijk van de houtindustrie. Sinds enkele jaren is de omgeving een populaire mountainbike bestemming. Dit aangezien er vele trails door het regenwoud zijn aangelegd. De meningen in het dorp zijn hierover verdeeld maar economisch doet het dorp er erg goed aan. Er is een caravanpark, een klein winkeltje en twee barretjes. Enkele jaren terug moesten ze het nog met slechts één barretje doen. Voor de lokale kinderen is er ook veel meer leven in de brouwerij. Eigenlijk is het helemaal zo slecht nog niet.
Mijn telefoon is inmiddels weer opgeladen. Het is dus een mooie tijd om weer verder te gaan. Normaal gesproken hoefde ik nooit zo vaak een plek te zoeken om op te laden. Echter is het weer nog steeds niet opgeknapt. Dat is natuurlijk best lastig aangezien ik normaliter mijn stroom win door middel van een zonnepaneel.

Ik besluit een kijkje te nemen bij Lake Elizabeth. Het meer is 50 jaar geleden ontstaan door een aardverschuiving. Het meer bevindt zich in een prachtige omgeving omringt door diepe wildernis. Het meer staat berucht om een populatie vogelbekdieren. Een diersoort wat wereldwijd alleen in oost Australië en Tasmanië voorkomt.
Op een parkeerplaats laat ik Bandhoo achter. Vanaf daar is het nog een kilometer of twee lopen naar het meer. Daar eenmaal aangekomen loop ik zachtjes richting het water. Ik hoop immers wel zo’n vogelbekdier te zien. Het meer is idyllisch. Omringt door heuvels, dichte begroeiing rondom het meer en te midden steken er oude rotte boomstammen omhoog; overblijfselen van een tijdperk voor de creatie van het meer. Het water oppervlak is rustig. Te rustig. Uiteindelijk valt mij een informatie bord op. Hier lees ik dat de verlegen vogelbekdieren alleen rond zonsopkomst en ondergang gespot kunnen worden. Ook staat er bij dat het zien van een vogelbekdier in verschillende Aboriginal culturen als een teken van geluk beschouwd wordt. Het is inmiddels 12 uur ’s middags. Pakweg zes uur na zonsopkomst en zes uur voor zonsondergang. Als het spotten van een vogelbekdier als geluk wordt beschouwd dan ga ik hem nu zeer zeker niet zien. Ik geniet nog even van de rustgevende setting. Dan keer ik mij om en loop weer terug.
Vlak voor de parkeerplaats zit een familie. Ze zetten de spullen klaar om te picknicken. De twee “kinderen” zijn rond mijn leeftijd de ouders een jaar of dertig ouder. Ze zeggen mij gedag en vragen waar ik geweest ben op de fiets. Vervolgens krijg ik een uitnodiging om mee te komen lunchen. Dit neem ik dan ook dankbaar aan. De familie blijken fanatieke vogelaars te zijn. Dat heeft ze dan ook naar deze plek geleid. Het gebied is rijk aan bijzondere en zeldzame vogels. Toevallig had ik eerder een grappig blauw vogeltje gezien. Ik heb hier dus even naar gevraagd. Een bijzondere verschijning blijkt het zeker niet te zijn, zeker niet rond parkeerplaatsen. Wel wisten ze me heel wat over de eigenaardige trekjes te vertellen. Zo kunnen mannetjes verkleuren. In het geval er genoeg vrouwtjes zijn dan zijn alle mannetjes blauw, is er schaarste dan kleuren alle mannetjes grijs; behalve de alfa. Zo worden de sterkste genen geselecteerd. Ook vinden deze blauwe bolletjes zijspiegels van auto’s een hele fijne plek om te zitten. Dat andere mannetje aan de andere kant van de spiegel vinden ze echter helemaal niks. Daar raken ze geregeld mee in gevecht en terwijl ze dat doen poepen ze er flink op los. Zo kan je achteraf altijd precies zien wanneer er zij op bezoek zijn geweest.
Nadat we de lunch, welke bestond uit zelfgemaakte quiche, salade, zalm wraps, en verschillende zelfgebakken cakejes, verorbert hadden gaat de familie er weer vandoor. Ook krijg ik nog wat restjes mee voor onderweg. Het is mooi om te beseffen dat je de liefste mensen overal tegen kan komen. Meestal is een vriendelijke groet met een lach alles wat nodig is om een nieuwe vriendschap te sluiten.

De rest van de dag rij compleet afgezonderd van de buitenwereld door het bos. In uren tijd kom ik geen enkele tegenligger tegen. Op zich logisch want ik zit dan ook ver buiten de gebruikelijke routes door het gebied. Wanneer ik op de kaart kijk om te zien of er een gratis kampeerplaats in de buurt blijk ik hier enkele honderden meters van verwijderd te zijn. En inderdaad, even een stukje de onverharde weg afrijden en ik zit weer op het asfalt met recht daar tegenover een kampeerterrein Old Hill genaamd. Dat was nog eens makkelijk!
Op het terrein staan een paar Duitse jongens hun tenten naast de auto’s op te zetten. Ik kies een plekje naast ze uit en begin mijn tent op te zetten. Ik informeer bij de jongens of er drinkwater bij het toiletgebouwtje beschikbaar is. Op dat moment komt er nog een busje het terrein op gereden. Het is de Italiaanse Giulia. Ze loopt even met mij mee naar het toiletgebouwtje om zelf ook wat regenwater in te slaan. We praten met elkaar en al snel ontstaat er een klik. Ik merk direct dat ik met haar op één lijn zit. Giulia heeft bijna een jaar geleden een Volkswagen busje gekocht. Het interieur heeft zij grotendeels eruit gesloopt om het busje vervolgens met een minimaal budget om te toveren tot rijdend vier sterren hotel. Uiteindelijk is zij vanaf Queensland naar Alice Springs, in de outbacks, gereden vanwaar zij naar het verre zuiden is getrokken. Kortom, haar route lijkt vanaf de kaart gezien iets wat op die van mij. Haar busje is op dit moment één van haar dierbaarste bezitten. In het jaartje heeft ze een vergelijkbare band hiermee opgebouwd als ik met Bandhoo heb. Enkele dagen terug kwam ze, net als ik, in Melbourne aan. Nadat ze de vrijheid van de weg geproefd heeft had de stad een bedrukkende werking op haar. Ze is binnen enkele uurtjes met gierende banden vertrokken. De grote stad gelooft ze wel, ze wil gewoon van de natuur genieten, de wereld beleven. Ze heeft geen zacht bed op een hotelkamer nodig, haar busje voorziet haar van alles wat ze nodig heeft. En zo kruisen onze paden vanavond, ergens op de top van een heuvel, verscholen in het regenwoud. Giulia vertelt blij te zijn om mij ontmoet te hebben. Al haar vrienden thuis vertellen haar continu hoe gek zij is door te doen wat ze doet. Nu kan zij voortaan zeggen dat het allemaal wel meevalt, er is namelijk ook iemand die het op de fiets doet. We bereiden samen wat avondeten. We delen onze reisverhalen. Zo vertelt zij bijvoorbeeld hoe ze een paar jongens midden in de nacht heeft helpen ontsnappen die vast werden gehouden door een kwaadaardige boer. Ook delen we levenservaringen en hebben we het over onze kijk op het leven, we praten over onze ambities en passies. We sluiten de nacht af rond een kampvuurtje. Giulia trekt hiervoor een fles wijn open die zij eerder uit de Barossa vallei gekocht had. Zo komt mijn voornemen uiteindelijk toch nog uit om hier eens van te proeven.

In de ochtend neem ik afscheid van Giulia. We nemen een laatste foto samen, geven elkaar een knuffel en wensen elkaar eens weer te zien. Dan rijdt zij uiteindelijk het terrein af. Ik pak mijn laatste spullen in en vertrek uiteindelijk in averechtse richting. Het is bijzonder, tijdens mijn reis heb ik honderden mensen ontmoet. Vele vriendschappen zijn van zeer korte duur geweest maar in die korte tijd heb je een bijzonder moment met elkaar mogen delen. Connecties kunnen als een vlam zijn. Heel heftig en voor je het weet neem je afscheid van elkaar. Je bouwt samen aan iets om het vervolgens los te laten. Je hoopt vaak dat het geen definitief afscheid is, maar ergens weet je ook heel goed hoe dingen lopen. Je moet van het moment genieten, ieder moment wat je samen hebt. Je weet nooit hoe lang het duurt en ieder moment kan zo kostbaar zijn als dat je het zelf maakt. Mooi hoe ook gisteravond een vriendelijke groet en een lach alles wat nodig was om een nieuwe vriendschap te sluiten.

Ik rij inmiddels in noordelijke richting. Ik ben zo ver oostelijk gegaan als nodig was. Vandaag is mijn laatste ritje door the Great Otways. Ik ben van plan om bij het tankstation te overnachten waar ik tevens de nacht had geslapen voordat ik bij the Great Ocean Road aan was gekomen. Dat betekend dat ik nog een paar uurtjes lekker door het bos kan rijden. Dan zal ik bij de grote weg uitkomen en wordt het de rit morgen uitrijden terug naar Melbourne. Vandaag heb ik een langere afstand op de planning staan. Dat is eigenlijk voor het eerst sinds ik aan the Great Ocean Road was begonnen. De laatste dagen stond voornamelijk in het teken van veel trails, weinig kilometers. Zo had ik het gevoel mijn laatste dagen optimaal benut te hebben.
Ik zit net op het zadel als ik wat gerommel uit het achterwiel hoor komen. Het klinkt als een gebroken spaak. Dat zou wel erg vervelend zijn. Ik stop zo snel mogelijk om eventuele schade aan mijn derailleur te voorkomen. Na een inspectie blijkt er geen spaak gebroken te zijn. Er zit er gewoon eentje helemaal los. Hij is uit de nippel getrild. Dat scheelt weer denk ik bij mijzelf. Plots valt het kwartje. Uit de nippel getrild? Dat heb ik werkelijk waar nog nooit meegemaakt, hoe kan dat nou? Ik loop het hele wiel na en zo blijken er wel vier spaken volledig los getrild en twee aanzienlijk. Overige spaken zitten ook onwijs los. Had ik nou maar gewoon een spaak gebroken. Ik zet de losse spaken vlug even een klein beetje vast, daarna rij ik een stukje verder totdat ik een geschikte plek gevonden heb om de nodige reparaties uit te voeren. Uitgerekend moet op mijn één na laatste fietsdag het gehele wiel uit elkaar trillen. Om deze te herbouwen beschik ik over minimale basiskennis en totaal geen ervaring. De oorzaak is mij duidelijk; dit wiel is naar mij bezorgd toen ik vast zat in de outback. Het wiel is machinaal gemaakt en er is nooit de tijd voor genomen om de spaken spanning goed na te kijken. De afgelopen 3.000 kilometer die ik er mee afgelegd heb zijn voor misschien wel de helft over onverharde wegen geweest. Dat trilt natuurlijk behoorlijk. Één zwakke spaak creëert de volgende en wanneer de balans echt weg valt trilt alles los.
Bij elkaar ben ik een uurtje of twee bezig geweest. Het wiel lijkt vrijwel recht te zijn en de spakenspanning voelt goed. Om zonder ervaring en juist gereedschap een perfect wiel te bouwen is onbegonnen werk, het gaat er nu om dat het een degelijk wiel is. Onverharde wegen zal ik niet meer rijden, het doel is dat hij geen krimp zal geven over een afstand van 100 kilometer asfalt. Dat ik dit voor elkaar heb gekregen, daar heb ik alle vertrouwen in. Dat het op dit moment even mis gaat vind ik ergens ook wel mooi. Natuurlijk wil je dat je materiaal heel blijft en zo min mogelijk onderhoud nodig heeft. Echter reed ik net met het gevoel in mijn achterhoofd dat het avontuur er met een paar kilometer op zou zitten. Daar zat ik natuurlijk mooi naast.
Uiteindelijk weet ik mijn gewenste afstand te rijden. Exact tijdens de zonsondergang rij ik het parkeerterrein van het tankstation op waar ik inmiddels al voor de derde keer ben. Ik zet mijn tent op en ga in de Hungry Jacks zitten om aan mijn weblog te werken. Tot slot vergeet ik de tijd finaal en komt de bewaking even langs om te melden dat het sluitingstijd is.

Nu is het zo ver. Het voelt een beetje gek. Ik heb vrijwel niets gepland behalve op welke dag ik weer terug in Melbourne zou willen zijn. Ik rij exact op schema. De laatste fietsdag, dat ik ook daadwerkelijk aan het toeren ben, is aangebroken. Nog een kilometer of 70 en dat was het dan. De route ben ik inmiddels al bekent mee. Nog 35 kilometer over de snelweg en daarna komt het Federation trail welke mij naar het centrum van de stad zal leiden; net zoals een week of twee terug. Zo goed als ik de route nog voor ogen had zo voorspoedig verloopt de rit. De laatste brug naar het centrum is even afgesloten en ik moet even een andere overgang zoeken maar alles verloopt vlekkeloos. Er zijn veel wielrenners in de stad valt mij op. Één komt naast mij gereden. “Het lijkt er op alsof je vandaag nog ver gaat” zegt hij. “Dat valt best mee” zeg ik “ik ga nog anderhalve kilometer, dan zit de reis er op”. “Oh, dan zit je reis er op? Waar ben je allemaal geweest dan?” vraagt de man. Ik vertel hem hoe ik 29 landen doorkruist heb en daarbij inmiddels bijna 30.000 kilometer heb afgelegd. “Nu nog anderhalve kilometer naar mijn hostel, dan vlieg ik met een paar dagen naar huis” leg ik uit. De wielrenner vind het een mooi moment. “Hoe is het mogelijk! Zo een lange afstand en dan op de laatste kilometer kom ik je zo vlak voor de finish tegen. Nog één kilometer, kom op!” roept hij aanmoedigend.

Het hostel waar ik van plan was om de laatste paar dagen door te brengen zit in één van de hoofdstraten van Melbourne. Wanneer ik bij de receptie aan het inchecken bent hoor ik iemand zeggen “Hey! Tijd niet gezien”. Het is Elise, een bekende uit Tully. Ik had al van haar vernomen dat ze hier zou zitten; ze had immers het hostel aan mij aangeraden. Een volledige verrassing was het dus niet, maar wel leuk om haar hier weer tegen te komen. Ik breng mijn spullen naar mijn kamer en we vertrekken met zijn tweetjes. Zo krijg ik een introductie rondleiding door de stad. ’s Avonds doen we mee met de pool competitie die in het hostel gehouden wordt. De winnaar krijgt mag voor 50 dollar drank bestellen aan de bar. Aan het eind van de avond was het merendeel van de aanwezige behoorlijk toeter. Ik loop naar de toilet toe en trek de deur open. Naast de pot ligt een kledder kots. Gadverdamme. Ik moet toch echt plassen en besluit er snel in en uit te gaan. Net wanneer ik weg wil gaan komt er een rat voorbij gelopen. Ook dat nog. Ik deel het beest een fatale schop uit en loop de wc uit. Op dat moment komt er een medewerker van het hostel voorbij gelopen. “Er heeft iemand in de wc gekotst” zeg ik. “Ja bedankt, ik weet het. Ik ga er wat aan doen” antwoord ze. Tot slot voeg ik er nog aan toe “Er ligt trouwens ook nog een dode rat”. Het meisje begint te vloeken en heeft het over een hekel hebben aan haar baan. Ik glimlach vriendelijk naar haar en trek de tussendeur maar snel dicht.

Ik besluit om mijn regel dingen zo snel mogelijk af te tikken en ga op zoek naar een fietsdoos; waar ik Bandhoo tijdens de vlucht naar Amsterdam in kan vervoeren. De eerste fietsenwinkel is failliet, de tweede heeft geen doos meer maar de derde keer heb ik beet. Met het onhandige formaat doos loop ik de paar kilometer terug naar het hostel. Onderweg krijg ik vaak humoristische opmerkingen van voorbijgangers. Iemand was bijvoorbeeld zo vriendelijk om mij er op te attenderen dat het alweer gestopt met regenen is.
Op de drukke winkelstraat zie ik een Koreaans meisje bezig met krijt. Ze maakt een hele mooie mandala met daarin de creatie mythe van de Aboriginals verwerkt. Het is Jiya, een straatartiest cq. wereldreizigster. Het zijn niet de kleuren die zij op de straat tekent die mij aanspreken het zijn de kleuren die zij uitstraalt. Alles rondom Jiya lijkt wel positieve energie uit te stralen. En zo kleurrijk als haar personage aanvoelt zo kleurrijk kleurt zij de straat. “Wat doe je met zo’n grote doos?” vraagt ze mij. Waarop ik haar uitleg dat ik binnenkort terug naar Nederland vlieg. Ik vraag om haar verhaal en zo legt ze mij uit hoe ze in Duitsland studeert. Voor een stage is zij naar Australië gekomen en op deze wijze verdient ze haar geld. Terwijl ze over zichzelf verteld is ze ijverig verder aan het krijten. Ze maakt met wit patronen maar ik zie haar krijtje steeds kleiner en kleiner worden. Ik spreek haar aan over de staat van het krijtje. “Ik weet het, het is mijn laatste. Ik weet ook even niet wat ik moet doen, misschien vul ik het straks wel met een andere kleur aan” zegt ze. Ik krijg er een goed gevoel bij dat ik haar wel zou kunnen helpen. “Weet je wat. Ik breng mijn doos even naar mijn hostel. Daarna heb ik zelf nog duct-tape nodig. Dan ga ik gelijk opzoek naar krijtjes voor jou en kom ik bij je terug” bied ik haar aan.
Nog geen 45 minuten later heb ik de krijtjes gevonden en vind ik de weg weer naar Jiya terug. Daar doneer ik de krijtjes aan haar. Ik neem plaats naast haar en kijk toe hoe zij haar kunstwerk verder af maakt. We wisselen contactgegevens uit en gaan nog eens proberen af te spreken, waar dat precies gaat zijn, daar komen we later wel achter.

Ik word uitgenodigd om ’s avonds met wat andere gasten van het hostel ergens een drankje te gaan doen. Via de tram gaan we naar een buitenwijk van de stad. We komen bij een tent aan. Prijzen worden in eerste instantie niet duidelijk gecommuniceerd. Wanneer ik een menukaart in mijn handen krijg zie ik dat een biertje ruim tien dollar kost. Ben je nou gek geworden. Eerder was 20 dollar voor een slaapplek met warme douche te veel en nou zou ik meer dan de helft uitgeven aan een klein bierglas. Dat ga ik niet doen. Schijnbaar bleek ik de enige te zijn die deze call maakte. De meeste in de groep vonden de prijzen schandalig maar besloten dat één drankje geen kwaad kon. Na dat ene drankje gingen we naar de volgende tent. Ik heb er eigenlijk helemaal niet zo’n zin meer in. Ik had niet verwacht dat dit onder “een drankje doen” verstaan werd. Daar kwam nog eens bovenop dat er bij de ingang op ID gecontroleerd werd. Die had ik natuurlijk niet bij me. De rest van de groep keek even moeilijk “Ja, en nu?” werd er gevraagd. Nou dat wist ik wel. “Ik ga terug naar het hostel, veel plezier! Ik zie jullie morgen wel” bood ik aan terwijl ik rechtsomkeer maakte.

Met nog twee dagen te gaan heb ik besloten dat ik vandaag nog een laatste ritje met Bandhoo gaan maken. Ik heb wat bezienswaardigheden uitgestippeld in de stad en ben van plan lekker de toerist uit te gaan hangen. Bij sommige bezienswaardigheden wist ik ongeveer wat ik kon verwachten en bij andere heb ik mij compleet laten verrassen. Bij elkaar heb ik een hele leuke indruk van de stad kunnen krijgen. Ik heb kerkjes bezocht, verschillende straten met graffiti, waar Melbourne bekent om staat, parken, een markt, kunstwerken, een botanische tuin, een oorlogsmuseum, de boulevard, een skatepark en verschillende punten met een panorama uitzicht over de stad. Het was letterlijk een beetje van alles wat. Het is zo ideaal om zo een stad te verkennen vanaf het zadel; je rijdt zo overal heen en ziet de mooiste plekjes.
’s Avonds begin ik mijn spullen in te pakken voor de vlucht. Ik was van plan om later deze avond nog mee te doen met de bingo avond van het hostel. Op het moment staat mijn hoofd daar echt niet naar. Ik voel er veel meer voor om even onderuitgezakt een filmpje te kijken.

De laatste dag is dan toch echt aangebroken. Ik rij Bandhoo in de loungeroom van het hostel, zet de doos klaar en begin alle onderdelen uit elkaar te schroeven. Dit is altijd even een klusje wat meerdere uren beslaat. Uit mijn ervaring is gebleken dat het uit plannen van een hele dag hier wel ideaal voor is. Dan heb ik meer dan zat tijd om het te regelen en hoef mij op dat moment niet druk te maken om andere dingen die nog moeten gebeuren. Zo verloopt ook vandaag alles soepel. Rond lunchtijd neem ik een bezem over de grond, berg de doos op en was vervolgens mijn handen. Dat hebben we ook weer gedaan. Vervolgens zoek ik mijn spullen uit en pak deze in twee schoudertassen in. Vervolgens ga ik vroeg naar bed.

De wekker gaat om half vijf. Stilletjes pak ik mijn tassen bij elkaar om zo mijn kamergenoten niet wakker te maken. Beneden bij de receptie check ik uit en vraag de sleutel van het magazijn om de doos met Bandhoo uit te halen. Ik ben zeer mooi op tijd. Toch zal ik mijn tijd goed nodig hebben, ik moet nog bij het vliegveld komen en reizen met een belachelijk grote doos en twee zware schoudertassen is drie keer niks.
Ik strompel over straat naar de trambaan. Bij elkaar hangt er aan pakweg 65 kilogram aan bagage aan mijn lichaam. Om hier even mee te lopen valt wel mee, maar des te verder ik kom des te dieper gaan de striemen zitten. Eenmaal in de tram kan ik een paar minuten rusten. Daarna moet ik een nog veel groter stuk naar het busstation lopen. Zodra ik het station in kom vraag ik bij een loket om de directies naar de luchthaven transfers. Dat blijkt uitgerekend aan de andere kant van het station te zijn. Gelukkig schiet een man mij te hulp die een halfuur op zijn eigen bus moet wachten. Een klein gebaar maar voor mij betekend dat echt een hele hoop.
Eenmaal in de bus richting het vliegveld kom ik er achter dat het schermpje van telefoon flink gebarsten is door één van de schoudertassen; deze sloeg tijdens het strompelen continu tegen mijn been. Dat is vervelend zeg, maar ik ben allang blij dat ik hier in de bus zit. Wat een drama zeg met die bagage. Nog een half uurtje en ik heb de luchthaven officeel bereikt.

Ik heb een plekje in het midden van het toestel. Normaliter zit ik altijd bij het raam. Op het moment doet het me niet zo veel; ik zit. Ik voel hoe het vliegtuig vaart begint te maken, we schudden heen en weer, dan voel ik mijn ingewanden kort op en neer schudden terwijl we van de grond afkomen. We maken vaart en vertrekken het wolkendek in. Dit was het dan, nu gebeurd het echt, ik ga naar huis.

Laat me weten of je het artikel leuk vindtShare on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on Google+0Share on LinkedIn0

One thought on “De grote oceaanweg

  1. Elly says:

    Wat een geweldige reis is het geworden zeg wie had ooit verwacht dat je 2 jaar en 3 maanden weg zou blijven. Maar na heel veel kilometers , avonturen, leuke ontmoetingen , prachtige plekken en nog veel meer is het dan zover. Jim is back in Holland wow welkom zo blij dat je er weer bent al is het maar voor even …de wereld blijft lonken tenslotte😎😚😘

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *