De tegenpolen

In Birdsville neem ik twee dagen rust. Één dag voor Bandhoo om bij te komen en één dag voor mijzelf. De eerste dag spendeer ik dan ook voornamelijk aan het vast draaien van alle boutjes en moertjes die los getrild zijn. Dit bleek zodanig slecht onderhouden te zijn geweest dat ik er inmiddels een enkeling reeds verloren heb; dit terwijl de laatste keer dat ik alles na heb gelopen nog geen maand terug was. Ook roteer ik de ketting met een reserve ketting; dit om de levensduur van de cassette te bevoordelen. De remmen en versnellingen worden weer soepel afgesteld. Draaiende onderdelen ingevet en tot slot krijgt Bandhoo een poetsbeurt. Alles bij elkaar heeft een stuk meer tijd in beslag genomen als waar ik vanuit was gegaan. Ik had immers niet echt voorzien dat de afgelopen honderden kilometers over onverharde wegen dusdanig hun tol zouden eisen. Zo neem ik het besluit om een tweede rustdag er aan toe te voegen om deze meer voor mijzelf te besteden.
Ik begin de dag met een zeldzaam fenomeen; ik slaap uit tot een uur of negen. Ik verblijf op een gratis camping net buiten het dorp. Wanneer ik het dorp in rijd zie ik een stoet mensen vertrekken bij het vredesmonument. De vlag hangt halfstok. Vandaag is het ANZAC day. Dat is de Australische, en Nieuw Zeelandse, variant van dodenherdenking. Het leek mij interessant en bijzonder om dit mee te maken. Des te meer reden gaf dit mij om een dagje langer in het dorp te blijven. Tijdens zonsondergang wordt er een mis gehouden bij het vredesmonument, daar wil ik dan ook graag aanwezig zijn.
De dag spendeer ik voor het informatie centrum. Deze is echter gesloten aangezien ANZAC day een nationale vrije dag is. Wel kan ik hier gebruik maken van een stopcontact. Dit biedt mij de gelegenheid om de hele dag op mijn gemak mijn blog bij te werken.
Een halfuur voor zonsondergang verhuis ik naar het vredesmonument. Daar werk ik verder aan mijn blog terwijl ik afwacht tot de rest van het dorp deze kant op komt. Vijf minuten voordat de mis zou beginnen zit ik nog steeds alleen. Ik begin mij af te vragen “klopt dit wel?”. Ik raadpleeg voor de zekerheid internet. Zo kom ik tot de ontdekking dat er een miscommunicatie heeft plaatsgevonden, welke te wijten is aan mijn Engelse vocabulaire. ‘Dawn’ betekend uiteraard zonsopkomst, niet ondergang. De mis heeft plaats gevonden om half zeven ’s morgens. Zo sla ik even de plank mis. Mijn twee minuten stilte moet dus plaatsvinden op de gebruikelijke datum: 4 mei, nog even een weekje wachten. Het was een gemiste kans. Toch heeft het extra dagje zijn vruchten afgeworpen. Mijn spieren zijn weer bijgekomen en het blogbericht kan in de avonduren gepubliceerd worden.

Langs de kant van de weg staan borden die een indicatie geven over de wegomstandigheden. De eerste helft van het Birdsville track heeft een waarschuwing staan. Door een zeldzame regenval is de weg mogelijk slecht toegankelijk geworden. Aangelegen wegen zijn volledig gesloten of alleen toegankelijk met een 4×4. Het is dus even spannend. Voor mij is het Birdsville track op het moment open, verergerd de situatie de komende dagen dan loop ik het risico ergens in de woestijn vast te komen te zitten. Hierna volgen meerdere borden; “weg gesloten van november tot 14 maart”, “betreden op eigen risico” en “Enjoy the Birdsville track”. Met goede hoop passeer ik de borden en laat de bewoonde wereld voor de zoveelste keer achter mij. Ik voel een enthousiasme in mij. Ik zit op het Birdsville track, dit is een spannende uitdaging zeg! De eerste uitdaging waarmee ik geconfronteerd wordt is een gewetenloze tegenwind.
Het duurt niet lang voordat er een wildrooster op de weg verschijnt. Er langs loopt een hekwerk die in de horizon verdwijnt. Er staan borden langs de kant van de weg. Één daarvan heeft het opschrift “State border South Australia”. Ik kijk nog een keer achterom. Ook hier staat een bord “Welcome to Queensland”. Queensland; de staat waar ik de laatste tien maanden gewoond en gereisd heb. Het voelt alsof ik een thuis achter mij laat, het voelt alsof ik een nieuw land in rij. Het bijbehorende enthousiasme speelt op. Hier in het hart van Australië is de staatsgrens die symbool staat voor een nieuw hoofdstuk. In Queensland ben ik naar de meest afgelegen plek gereden, als een parabool zal ik vanaf hier langzaam weer terug naar de, relatief, dichtbevolkte kust keren. Ik kijk het eindeloze woestijnlandschap in. In mijzelf maak ik een berekening, als het zicht van de horizon pakweg vier kilometer is, dan zou dat inhouden dat ik 250 keer de horizon af zal moeten reizen om bij de kust te komen. Een horizon, angstaanjagend leeg, levenloos en stil. Een horizon zonder enkele contouren, vormloos en toch is het daar. Ik kan het niet helpen om de vergelijking te zien met de boeddhistische hart sutra “Form does not differ from emptiness; emptiness does not differ from form. Form itself is emptiness; emptiness itself is form”. De woorden van de sutra bungelen in Chinese tekens aan mijn stuur; toeval lijkt niet te bestaan.

De afgelopen weken brachten de verlaten onverharde wegen een safari gevoel met zich mee. Dagelijks kwam ik onwijs veel wild tegen. Alsof de beesten de waarschuwingsborden aan het begin van het track gelezen hebben is dit gebied volledig verlaten. Op een zeldzame gelegenheid observeert een Australische wigstaart arend vanuit de lucht de meest minuscule bewegingen op het aardoppervlak. Bewegingen die ik niet kan waarnemen. In mijn ogen is het leeg, alles is leeg.
Het landschap bestaat uit een bodem van zand, daar ligt een laag gesteente overheen met hier en daar lage, dorre vegetatie. Hier doorheen is een gleuf uitgehakt waar een dikke zandlaag overheen ligt; dit is het wegdek.
Ik begin mij wat zorgen te maken. “Waar ben ik aan begonnen?” denk ik bij mijzelf. Inmiddels is het de tweede dag op het Birdsville track. De combinatie van het zand en de tegenwind maken het onmogelijk om enige vaart er in te zetten. Vrijwel iedere kilometer moet ik afstappen om mijn beladen fiets enkele tientallen meters door het zand te duwen. Op het moment dat ik mijn balans weet te houden en kan fietsen dan gaat dit ongeveer met een gemiddelde snelheid van zeven kilometer per uur. Fysiek gezien voelt het alsof ik steile berg met minimaal de dubbele snelheid beklim. Na twee dagen onuitputtelijk tegen de natuur gevochten te hebben heb ik een totale vooruitgang geboekt van nog geen 140 kilometer. Dit tempo ligt een derde lager dan waar ik vanuit was gegaan. Als dit zo door gaat kom ik mogelijk in de knoop met mijn voedsel- en waterbevoorrading.

’s Avonds lig ik in mijn tent wanneer ik ineens gesnuffel denk te horen. Het lijkt bijna alsof een beest zijn kop onder het tentzeil probeert te steken. Stilletjes pak ik mijn Dazzer en druk de knop in. Het rode lampje licht op wat indiceert dat het apparaat een hard vervelend geluid maakt, welke voor mensen oren niet te horen is. Buiten blijft het stil. Zal ik mij soms vergist hebben? Ik kruip de tent uit om te kijken of er iets te zien is. Niks. Het maanlicht verraad alle contouren in de omgeving, toch is er niks te zien. Ik zal mij wel vergist hebben, het zal vast de wind zijn geweest die het tentzeil liet wapperen. ’s Morgens breek ik de tent weer af. Gelukkig blijkt dat ik niet gek geworden ben. Rondom mijn tent staan pootafdrukken in het zand gedrukt. Er is geen twijfel over mogelijk dat deze afkomstig is van een dingo. Het eerste teken van leven op het dorre grondoppervlak.

Ik begin de dag een stuk vroeger dan normaal gesproken. Rond negen uur ’s morgens komt de wind genadeloos hard opgezet. Het liefst heb ik tegen die tijd al enkele uurtjes kunnen maken. Woorden schieten mij te kort om mijn vreugde te uiten toen ik een bocht naar rechts maakte. De komende pakweg 60 kilometer fiets ik naar het westen. Wanneer om de gebruikelijke tijd de wind opspeeld loeit deze in mijn linker oor, rechts lijkt het stil te zijn. Een zijwind, wat een ongelofelijke luxe!
Na enkele tientallen kilometer heerlijk genoten te hebben van het geen tegenwind hebben wordt mijn dag nog mooier. Het zand, maakte eerst al plaats voor stenen, grind en kiezels. Plots komt ook hier een einde aan. De weg is een redelijk vlakke laag van klei. Het is een wereld van verschil. Zorgvuldig ploeterde ik in eerste instantie door het zand, daarna reed ik voorzichtig over het gesteente in de hoop geen spaken te breken en nu rij ik zorgeloos. Wat een vrijheid. Zo nu en dan slinger ik om een gat of een scheur in het wegdek maar eindelijk kan ik mijn focus verbreden op de wereld om mij heen. Het voelt alsof ik in een Ferrari over het wegdek raas. Ik ga zeker wel 15 kilometer per uur, wat maar een kwart lager is dan gebruikelijk.
Later op de middag krijgt mijn dag nog een kers op de taart. Ik bespeur beweging in een struik niet heel ver voor mij. Uit het struikgewas springt uiteindelijk een dingo. Ik zie het aan zijn blik, hij kan zijn ogen niet geloven. Ik hoor hem denken “Wat is dat?!”. Ik rem geleidelijk af en pak voorzichtig mijn camera. De dingo, die te midden op de weg stil is gaan staan, staart mij verbaast aan terwijl hij mij probeert in te schatten. Zo sta ik op een meter of twintig afstand voor het eerst oog in oog met een dingo. Het is een verbazingwekkend mooi en elegant beestje. De vergelijking met een vos is snel gemaakt. Net wanneer ik mijn foto heb gemaakt lijkt hij zijn gedachten op een rijtje gezet te hebben “Het is een mens! Wegwezen!”. Terwijl hij wegrent springt zijn vriendinnetje ook uit het struikgewas. Zo kijk ik toe terwijl de wilde honden door het landschap rennen. Tot slot verdwijnen ze uit mijn zicht.
Vandaag is echt mijn dag. Zijwind, goed wegdek, oog in oog met een dingo en vervolgens ook nog een aantal kangoeroes!

Voor wat hoort wat. Zo lever ik de volgende dag wat van mijn geluk in. Wanneer ik de dag wil beginnen merk ik op dat ik een lekke band heb. Een doorn heeft hier doorheen geprikt toen ik ’s avonds van de weg ben afgeweken om een kampeerplek uit te zoeken. Nadat het bandje geplakt is fiets ik zes kilometer. Inmiddels weer in zuidelijke richting dus ik moet weer flink tegen de wind opboksen. Het voorwiel zwalkt wat. Uit betere inspectie blijkt dat het volgende probleem op de stoep staat. Door het gehobbel op de weg is de moer van mijn hubdynamo volledig open gedraaid. Deze heeft de voorvork uit doen zetten in dusdanige mate dat de moer, waarmee het voorwiel in de vork geklemd zit, van de naaf afgeduwd is. Ik moet deze moer eigenlijk terug gaan zoeken maar dat is onbegonnen zaak. Waarschijnlijk ben ik hem in de afgelopen zes kilometer verloren, maar voor hetzelfde geld heeft dit incident gisteren al plaatsgevonden. Ik speur door mijn gereedschap heen. Ik heb een zakje vol met moertjes, boutjes, ringetjes en klemmetjes. Kortom allemaal kleine onderdelen die ik eventueel voor onbekende doeleinden zou kunnen gebruiken. Laat ik hier nou net een 10 mm moer tussen vinden. Ondanks de geschikte maat lijkt hij niet heel lekker op de naaf te passen, vermoedelijk is het schroefdraad beschadigd geraakt en kan de moet hier geen grip op krijgen. Met twee borgringen en wat tape weet ik hem zo strak mogelijk te zetten als mogelijk is. Dit is nog niet voldoende, het wiel zwalkt nog een klein beetje. Zodoende zet ik ook de remmen op de breedste stand. Het is ver van perfect maar ik ben er van overtuigd dat dit voor de komende duizend kilometer nog wel blijft zitten. Het gereedschap wordt opgeborgen, de tassen weer aan de dragers geklikt en ik vervolg mijn strijd tegen de wind.

De eentonigheid van het landschap maakt plaats voor een serie rode heuvels. Een strook bomen verraad een droge bedding waar enkele dagen in het jaar een rivier richting Lake Eyer stroomt. Het landschap is nog steeds minimalistisch echter roept de verandering een sensatie op. Denk de bomen weg en men zou zich hier haast op de planeet Mars wanen.
Uiteindelijk duikt er een teken van leven op de planeet op. Te midden van de grote verlatenheid staat een gebouw. Het is het Mungarannie roadhouse. Het pand dient als pitstop voor reizigers. Er is een bar, hotel, werkplaats, tankstation plus er zijn kampeerplaatsen. Ik zet Bandhoo op slot, sla het stof van mij af en stap naar binnen. Ik word door een dame begroet. “Jij moet de fietser zijn!” roept ze uit. Ze voegt er aan toe dat ze continue updates over mijn vooruitgang kreeg. Vrijwel iedere automobilist stopt hier om bij te tanken. Daarbij maken ze gebruik om hun verontwaardiging te uiten “We zagen een jongen op een fiets 40 kilometer hiervandaan”. Uiteraard verschilde de “40 kilometer” bij iedere automobilist, steeds werd de afstand korter, tot het moment dat ik zojuist binnenstapte. Mijn dringende vraag is of er wellicht ook een winkel is. Doordat ik de eerste dagen niet zo veel kilometers heb kunnen maken als geplant maak ik mij wat zorgen om de voedselvoorraad. Een winkel dat is er niet maar bij de bar serveren ze eten. Er is dus brood in huis. Er wordt bij de baas nagevraagd of ze een brood kunnen missen. De baas stemt in en zo kan ik een brood overkopen. Ik bestel voor de lunch een vleestaartje, een lekkernij wat typerend is voor Australische roadhouses. Met het handje vol mensen in de kroeg raak ik in gesprek. Dit ging natuurlijk al rap nadat de vrouw uitriep dat ik de fietser moest zijn. Met twee mannen loop ik even naar buiten om ze kennis te laten maken met mijn maatje, Bandhoo. Uit hun auto vissen ze een paar blikjes met bonen en spaghetti, hiermee wordt mijn voedselvoorraad weer wat verder aangevuld. Tot slot krijg ik een koud biertje aangeboden. Ik accepteer hun vriendelijke aanbod en besluit hier nog even rond te blijven hangen. Ik had op dit moment kunnen weten dat ik vandaag natuurlijk helemaal niet meer zou vertrekken. Toch had ik nog heel eventjes hoop.
Er verschijnen wat meer mensen in de kroeg. Iedereen zit bij elkaar en er ontstaat zo een leuk gevarieerd gezelschap. Het duurt dan ook niet lang voordat ik aan de bar doorgeef dat ik van plan ben om hier te overnachten. Er wordt een bonnetje uitgeschreven en voordat ik mijn portemonnee kan pakken wordt er een krul gezet “Zo, wat mij betreft is jouw rekening betaald” zegt de vrouw. Phill, de eigenaar van de tent vergezeld ons. Met hem aan de bar is het plaatje compleet. De bar heeft de sfeer zoals die alleen op deze plek kan zijn. Aan het plafond hangen cowboy hoeden en plukken haar, aan de met stikkers bekleedde muur hangt gereedschap, kogels, en het skelet van een emoe. Er hangt een foto op poster formaat waarop te zien is hoe de meest indrukwekkende zandstorm over het pand raast. Van een fietsenwinkel in Townsville had ik een stikker meegekregen. Deze heeft een plekje achter de bar gekregen en is goed in het zicht. De wijze boodschap op de stikker luidt “Cars run on money and make you fat. Bicycles run on fat and save you money”. Phill heeft een groot postuur, op zijn besmeurde cowboy hoed zijn enkele brosjes gespeld terwijl daar onder vandaan lange grijze haren langs zijn behaarde gezicht lopen. Ik kan het niet helpen om even in gedachten af te dwalen. Het plaatje roept een surreëel gevoel op. Kijk mij hier nou eens zitten. Dit is gewoon echt net een filmset maar hier wordt geen toneel gespeeld. Tot laat in de avond blijven we aan de bar hangen, uiteindelijk excuseer ik mijzelf en begeef mijzelf naar mijn tent.
In de ochtend pak ik mijn spullen in, tap wat benzine van de pomp in mijn bidon en begroet iedereen in de kroeg. Na van mijn ontbijtje genoten te hebben geef ik aan dat ik van gisteravond nog een rekening open heb staan. Phill zoekt achter de bar maar de rekening is foetsie. Zodoende loop ik met hem door wat ik besteld had. Ik ben nog niet op de helft en hij zegt “That’s all we need”. Zo wordt mijn rekening even ruim gehalveerd. Vervolgens wordt mijn lege koffie kop bijgeschonken. Ik kan mij niet herinneren ooit een sympathiekere barman tegen gekomen te zijn. De setting hier in the middle of nowere, de saamhorigheid van de gasten, de uitstraling en dan Phill; dit moet zonder twijfel de meest unieke en beste kroeg van Australië zijn.

Ik word uitgezwaaid terwijl ik terug de wildernis in trek. Mungerannie ligt net over de helft van het Birdsville track. Ik heb het grootste stuk al gehad. Uiteindelijk blijkt ook dat ik het zwaarste stuk al gehad heb. De tegenwind houdt trouw aan maar het zand op de weg blijft ver achterwege. Het landschap is zo minimalistisch zoals deze al die tijd geweest is. De dagen verstrijken in een rustig tempo. Er valt weinig te zien, alles wat er te doen is om door te blijven trappen.
Het is zeven dagen terug dat ik Birdsville achterwege heb gelaten wanneer een T-splitsing opduikt. Het is het einde van het Birdsville track. Direct na de splitsing ligt het dorpje Marree. Het roadhouse hier heeft een winkeltje waar ik eten voor de komende week in sla. Verder sta ik voor een keuze. Ik bevind mij op het Oodnadatta track. Dit is de route die ik eigenlijk door de Simpson woestijn wou rijden; echter is het dorp Oodnadatta niet vanuit Birdsville te bereiken waar ik eerder op hoopte. Ik twijfel er aan om terug naar het noorden te gaan. Dit zou betekenen dat ik de woestijn een tweede keer door zou steken. Het Oodnadatta track, welke langs een historische treinrails, the Hahn railway, loopt, is heel erg vergelijkbaar met het Birdsville track. Het grote verschil zit hem in een bezoekje aan het zoutmeer Lake Eyer. “Zou dat het waard zijn?” vraag ik mijzelf af. De tweede optie is om vanaf hier naar het zuiden te gaan. Daardoor zal ik de outback eerder uit zijn en zou ik meer tijd kunnen spenderen langs de kust. Ik raak voor het roadhouse in gesprek met een echtpaar. Toevallig komen zij net van het Oodnadatta track af. Ook hebben zij wat foto’s van Lake Eyer gemaakt. Na het zien van hun foto’s hak ik de knoop door. Ik ga naar het zuiden.

Het volgende dorp, Lyndhurst, is redelijk in de buurt, op slechts 70 kilometer afstand. Onderweg passeer ik een spookstad. Opvallend is hoe alle daken verdwenen zijn. Slechts een gebouwtje heeft nog een dak. Dit is een oude Hollandse bakkerij, het ontwerp van het gebouw is Hollands. Vandaar natuurlijk dat er nog een dak op zit.
Op de kaart staat een bezienswaardigheid aangegeven met de naam ‘Ochre pits’. Ik weet niet exact wat ik mij daarbij moet voorstellen. Misschien iets van een mijn. Met slechts drie kilometer van de weg lijkt mij dit zeker een bezoekje waard. Na een modderig pad afgereden te hebben kom ik bij een uitkijkpunt aan. Hier kan ik even mijn ogen niet geloven. Het is inmiddels zonsondergang en het licht van de zon, de kleuren van het luchtruim en dit natuurspektakel zijn een prachtige vertoning. Ik sta bovenop een klif, de rotswanden onder mij hebben diverse kleuren; wit, rood en oranje. Vanuit de klif kijk ik een enorme vallei in; de woestijn. Wat zou ik graag op deze ongelofelijke plek willen kamperen. Op een bord staat wat informatie, er wordt aangegeven dat deze plek voor Aboriginals heilig beschouwd wordt. Men dient hier respect voor te hebben en het is daarom niet toegestaan om vuur te maken, de klif in te klimmen of te kamperen. Ik respecteer dit dan ook. Ik kijk nog een laatste keer de vallei in en leg de laatste zes kilometer af naar Lyndhurst. Daar overnacht ik op een rustplek voor automobilisten.

Terwijl ik aan mijn koffie nip krijg ik visite. Het is de bekendste persoon uit het dorp; Talc Alf. De oudere man is filosoof, kunstenaar en Hollander. Hij houdt onwijs van een praatje. Hij praat non-stop door, echter zijn de dingen die hij te vertellen heeft razend interessant. Hij heeft een enorme kennis over letterkunde en is van mening dat woorden en namen niet willekeurig zijn. Hij legt mij uit hoe woorden zijn opgebouwd, elementen die telkens terug komen en een indicatie geven over de oorsprong van een woord. Niet alleen gaat ons gesprek over letters en woorden, het gaat over zonsverduistering, de stand van de sterren, de nieuwe (onofficiële) vlag van Australië waarbij de Engelse vlag vervangen is voor die van de Aboriginals. Ook verteld hij mij over de geschiedenis van Australië en leert hij mij dat James Cook niet de eerste westerling was die het nieuwe continent ontdekt had. De noordwest kust schijnt al vele jaren door de Nederlanderse VOC gebruikt te zijn. De VOC heeft Australië kennelijk ontdekt door vanaf Zuid Afrika direct naar het oosten te varen in plaats van de Afrikaanse kust terug om hoog te volgen. Alf heeft hier zelfs nog een interessante theorie over. De naam, die ik vergeten ben, van de Nederlandse kapitein zou volgens zijn letterlogica vertaald kunnen worden naar “Waar de zon opkomt”. Alf is er van overtuigd dat de VOC dezelfde kennis had als hijzelf. Deze zouden de kapitein betaald hebben om een nieuwe handelsroute te vinden; wat destijds veelvoorkomend was. De koers die de kapitein moest varen hebben zij van zijn naam afgeleid; “Waar de zon opkomt”. De westkust van Australië bleek weinig handel te bieden voor de VOC. Echter was het een ideale uitvalsbasis vanuit Indonesië om conflicten met de Engelse, Fransen of Spanjaarden te vermeiden. De Hollandse ruïnes zijn als bewijs op bepaalde locaties achter gebleven. Wie daarnaast de kaart van de wind- en zeestromingen bekijkt zal opmerken dat Australië bijzonder eenvoudig te bereiken is vanuit Zuid Afrika.
Het was een bijzondere ontmoeting met de man, zo heb ik vandaag in een uurtje meer feiten geleerd dan dat ik in de afgelopen weken bij elkaar heb gedaan.

Wanneer ik net weer op pad ben zie ik in de verte op de weg een gedaante langzaam mijn kant opkomen. Zal het zo zijn? Ik probeer de contouren in te schatten. Niet veel later blijkt wat ik dacht te kloppen en vindt zich de volgende ontmoeting plaats. Het is een Australische fietser. Hij is vertrokken vanuit Canberra en onderweg naar Darwin, in het verre noorden. Daarbij wilt hij het Oodnadatta track volgen. Hij heeft niet heel veel tijd voor zijn reis, totaal kon hij zes weken vrij krijgen van zijn werk. Hij stopt dan ook niet voor bezienswaardigheden; hij wilt gewoon het land op de fiets doorkruisen. Een ding is zeker; de wind in de rug zal hem zeker daarbij helpen! Stiekem ben ik wat jaloers op hem.

Een volgende bijzondere ontmoeting vindt de volgende ochtend plaats. Deze keer is het een Britse man welke van kust naar kust aan het reizen is. Hij is begonnen in Adelaide en werkt zijn weg omhoog naar Karumba – Queensland. Dit doet hij in een rustig tempo. Voor zich duwt hij een kar uit met zijn bagage, daar bovenop ligt een zonnepaneel. Er klinkt klassieke muziek uit een speakertje welke aan zijn kar hangt. Hij draagt een warme winterjas en heeft dikke beenwarmers, aan zijn voeten zitten stevige hiking schoenen. Hij wint mijn diepe respect. Ik neem mijn fietshelm voor hem af. Hij doorkruist Australië namelijk te voet.

Langzamerhand wordt het landschap groener. Er groeit gras op de grond. Er staan bomen. Er stromen riviertjes, met daadwerkelijk helder water. Ook klinkt er gezang uit de bomen van de verschillende soorten vogels. Kuddes schapen zijn aan het grazen terwijl op de achtergrond de heuvels van het Flinders gebergte prijken. Het is bijzonder om het landschap beetje bij beetje steeds levendiger te zien worden. Het gebeurd op zo’n traag tempo, verschillen volgen elkaar subtiel op. Plots valt het kwartje. De realisatie komt bijna aan als een schok “Moet je zien wat een leven ineens overal!”.

Bij het plaatsje Parachilna sla ik linksaf. Een grindpaadje verdwijnt de heuvels in. Ik wil graag een omweg rijden waarbij ik de bergen in trek. Om nog even terug op mijn ontmoeting met Talc Alf te komen; hij denkt dat het dorp Parachilna van Afghaanse oorsprong is. In de vroege kolonialistische jaren van Australië werd het binnenland per kameel verkent onder begeleiding van ervaren Afghanen. De ontdekkingsroutes liepen langs dit dorp. De naam Parachilna zou afgeleid zijn van de Afghaanse stad Parachina; welke ter grote van Amsterdam is. De letter ‘L’ zou door de Europeanen toegevoegd zijn om de vernoeming te voorkomen. Alsof de feitjes en toevalligheden nog niet overtuigend genoeg zijn; op de kaart vind ik verschillende verwijzingen en plaatsen in de heuvels welke eindigen op ‘China’. De verkenningsgroepen welke ondersteund werden door de Afghanen zijn van bijzondere waarden geweest. Aan de hand hiervan is de geografie van het binnenland vastgesteld. Dit heeft geleid tot de bouw van de Hahn railway wat de belangrijkste, en enigste, connectie was naar het noorden. Dit was van dusdanige waarde dat dit de enige manier was waarop Zuid Australië contact kon hebben met de buitenwereld.

Het grindpad loopt geregeld behoorlijk stijl de heuvels in. Hierbij rij ik door een aantal indrukwekkende kloven door. In de bomen zitten verschillende tropische vogels. Enkele keren moet ik een rivier oversteken welke de weg heeft versperd. Des te hoger ik klim des te meer bergpieken er opduiken en des te hoger deze zijn. De weg is qua natuur één van de mooiste waar ik nu toe gereden heb in Australië, wat een mooie toevalstreffer. Het wild is hier meer aanwezig dan op welke andere plek ik eerder in Australië geweest ben. Achter iedere bocht, achter bomen, in het gras, waar ik ook kijk, overal zitten wallabies. Ik heb de moeite niet genomen om te tellen; daar was overigens geen beginnen aan geweest. Een schatting maken is al vrijwel niet te doen. Ik ben er zeker van dat in de afgelopen uren ik er meer dan honderd gezien heb. Het contrast met de outbacks is gigantisch. Het zijn twee tegenpolen van elkaar. Alles wat anders kan zijn is hier anders.
Aan het eind van de dag rij ik weer een stuk over een verharde weg. Daarnaast heb ik het makkelijk want ik mag de berg die ik zojuist beklommen heb afdalen. Terwijl ik met een kilometer of 50 a 60 per uur naar beneden raas duiken er verschillende wallabies op. Één besluit van schrik echter de weg over te steken. Ik zie hoe hij mijn kant opspringt, ik schiet even in de stress; dit dreigt een botsing te worden. Het moment is slechts een fractie van een seconden. Er zit uiteindelijk minder dan een meter afstand tussen ons in, een afstand die ik 1/16e van een seconde afleg. Ik klik mijn pedaal los om zo de wallaby eventueel van mij af te kunnen schoppen. Gelukkig beseft de wallaby ook dat er iets niet helemaal goed gaat. Deze verandert zijn koers en zo komen wij er beiden met de schrik van af.

De volgende ochtend rij ik het Flinders Ranges National Park in. Hier lopen twee wegen doorheen; de hoofdweg en een toeristische rit genaamd ‘the Geological trail’. Ik volg deze laatste. De route is adembenemend. Het landschap is divers en erg ruig. Ik rij door kraters heen, over bergen en door rivieren. Fysiek is het een aardige uitdaging maar dit is onwijs belonend, iedere bocht kijk ik weer mijn ogen uit. Ook heeft het landschap een bijzondere geschiedenis. Het is ontstaan door een enorme meteoor inslag, 600 miljoen jaar geleden. De meteoor had een diameter van drie kilometer. De inslag was zo groot dat de hele aardoppervlakte voor een lange tijd in een dikke laag stof gehuld was. Zou deze inslag rond deze tijd hebben plaatsgevonden dan zou er niet veel leven op de Aarde overblijven. De inslag sloeg enorme kraters in de grond en de aardbodem is aanzienlijk verschoven. Op de plaats van de inslag ontstond een groot meer. Jaar in, jaar uit, langzaam bleef het landschap zich aanpassen. Erosie spoelde de zachte bodem weg waardoor het harde gesteente overbleef. De aardbodem verzakte langzamerhand en de krater van de inslag werd verder uitgeslepen. Er heeft zich een indrukkende metamorfose plaatsgevonden, een metamorfose die nog steeds iedere dag plaatsvind. Zo subtiel dat het verschil in honderd generaties nog niet opgemerkt kan worden.

Na een paar intensieve dagen in de bergen is het tijd voor de gehele afdaling. De Flinders gebergte rijken nog tot honderden kilometers verder al heb ik zojuist veruit de hoogste pieken mogen aanschouwen. Ik daal een meter of 700 af en bevindt mij weer in de heuvels vol met uitgestrekte weilanden. Er liggen veel kleine dorpjes op de route welke elkaar in korte afstand van elkaar opvolgen. Een noemenswaardig dorp is Melrose; een paradijs voor fietsers. Nooit eerder heb ik in geen enkel land een stad of dorp gezien zo gericht op mountainbikes. De trekpleister is de aangelegen berg Mount Remarkable. Hier lopen vele mountainbike tracks overheen. Mensen rijden enkele uren in de auto om hier te komen fietsen. Dit komt voor mij goed uit want ik kan nu eindelijk de moer van mijn naaf vervangen bij de plaatselijke fietsenwinkel. Kosteloos krijgt Bandhoo dan ook een nieuw moertje aangeschroefd.
Melrose ligt te midden in een bosrijk gebied. Ik adem de bekende geur diep in. Dat is lang geleden dat ik dat geroken heb. De bossen staan vol met naaldbomen. Op de grond liggen zelfs dennenappels. Een boomsoort zo kenmerkend voor de Nederlandse bossen. Voor mij is het alwaar twee jaar geleden dat ik een dennenboom gezien heb. Na enkele dagen van de frisse geur genoten te hebben wordt de lucht gevuld met een andere bekende geur. Deze is vrij zuur. Ik ben in de Clare vallei aangekomen, een bekende wijnstreek voor Zuid Australische wijnen. Vanuit de Clare vallei rij ik door naar de Barossa vallei. Wijnkenners zullen deze streek wel moeten kennen; dit is namelijk de bekendste. Het is grappig om alle druiven velden te zien en hier doorheen te rijden. Veel druiven hanger er op het moment niet want het is niet het seizoen. Opmerkelijk vind ik de relatief kleine boerderijen. De gehele Barossa vallei is slechts 400 vierkante kilometer schat ik. Op deze vlakte zijn minimaal wel 50 verschillende wijnmakers fanatiek hun bedrijf aan het runnen, misschien wel 100. In Australië ben ik langs boerderijen gereden welke ongeveer half zo groot zijn als Nederland. Iedereen lijkt hier een lap grond vanjewelste te hebben. Toch zijn alle druivenvelden relatief klein en vergelijkbaar met een Hollands weiland. Ik ben dan ook vrij snel door de vallei heen, je zou bijna zeggen “Is dit het?”. Een belangrijk puntje om hier te doen is natuurlijk om in de wijnkelders wijn te proeven. En hoe deze wijnen smaken? Tsja, dat moet je niet aan mij vragen. Ik ben geen wijnliefhebber, geen wijnkenner en hoewel ik mij had voorgenomen een wijntje te proeven heb ik dit niet gedaan. Mocht ik later hier spijt van krijgen dan kan ik ongetwijfeld de Gall & Gall in lopen en om een Barossa of Clare wijntje vragen.

Ik laat de druivenvelden achter mij en rij met enige haast naar een park toe. Het begint langzamerhand donker te worden en alles hier is privé gebied; niet handig om te kamperen dus. Maar op de kaart heb ik een bos gevonden waar enkele wandelpaden doorheen lopen. Hier heb ik dan ook mijn zinnen op gezet. Voor de ingang van het park staan hekken bestemd om voertuigen, ook tweewielers, te hinderen. Het blijkt niet zo zeer om een bos te gaan maar om een natuur reservaat. Er staan dan ook enkele informatieborden welke aanduiden wat voor verschillende dieren hier voorkomen. Vooral staat er heel veel informatie over de vlinders. Verder staat er een jongen voor zijn camper. Ik kijk even moeilijk; dat park ga ik zo niet inkomen. “Wat zoek je?” vraagt de jongen, welke van Duitse komaf blijkt te zijn. Zo leg ik hem uit dat ik in het park een kampeerplek hoopte te vinden. “Je kan hier zonder twijfel wel wildkamperen, niemand die hier zal komen. Als je wilt help ik je wel om je fiets over het hek te tillen” biedt hij mij aan. Ik neem het aanbod dankbaar aan. Vervolgens legt hij mij de route uit naar een uitkijkpunt “Als ik hier zou wildkamperen, zou ik daar gaan staan. Niemand die daar nu, of morgenochtend, helemaal heen gaat plus je hebt een mooi uitzicht”. Ik volg zijn advies naadloos op. De jongen schijnt helemaal gelijk te hebben gehad. Bovenop een heuvel staat een uitkijkpunt met direct daarnaast een handig grasveldje voor de tent.

Zoals voorspeld kwam er helemaal niemand langs. In de ochtend was de jongen was uiteraard verdwenen; hij werkt voor zijn accommodatie op een boerderij, wat je noemt WOOFF’en. Ik moet Bandhoo nu dus even zelf het hek over tillen. Dat gaan we niet zomaar even doen, dat gaat fout. Ik haal eerst alle tassen er af en bouw de boel aan de andere kant van het hek weer op.
Vandaag staat de hele dag in het teken van bos en bospaadjes. Ik wijk ver af van alle hoofdwegen en rij over grind door de bossen. Hier en daar staat een huisje of boerderijtje verstopt in het bos en ik kan het niet helpen om de vergelijking te maken met de typerende foto’s van legpuzzels. Gek genoeg ben ik nog nooit een legpuzzel tegengekomen waar de standaard mooie foto op staat maar dan met bepakte fiets.
Het is even flink balen wanneer er pas na tien kilometer aangegeven wordt dat de route die ik wil rijden wegens werkzaamheden is afgesloten. Ik besluit daarom dat het bord alleen voor automobilisten geldt en rij stug door de paaltjes heen. Ik bevind mij nu in het Para Wirra National Park. Eigenlijk lijkt het hier wel erg op de bossen bij de Veluwe maar dan met heuvels. Uiteindelijk beland ik in het wereldberoemde plaatsje One Tree Hill. Een van de vele bekende plaatsjes waar ik de afgelopen dagen langs ben gereden. Zo waren er eerder bijvoorbeeld als Wuthering Heights en Laura. One Tree Hill is de naam van een bekende comedy serie. Om eerlijk te zijn, ik heb het nog nooit gezien. Ik herkende de naam en heb daarom even Google gebruikt. De serie is Amerikaans, niet Australisch. Het is dus een naamgenoot. Ik vraag mij af waar de naam One Tree Hill vandaan komt. Het staat vol met bomen en ik zie overal heuvels. Wel geeft de naam de juiste indicatie dat het dorp bovenop een heuvel gebouwd is. Dat is fijn want dat betekend dus dat ik nu de berg af mag rollen.
Ik heb het tweede slingerbochtje nog niet gemaakt of er is een bijzonder uitzicht. Aan de voet van de heuvel, kilometers verder, zie ik Adelaide liggen. Het beeld daarachter is wat mij echt even raakt. Blauw. De lucht, maar ook het water. Ik kijk neer op de kust. Daar is ze dan. Alles wat ik hoef te doen is naar beneden te glijden en ik heb de kust bereikt. De uitdaging die ik zo graag aan gegaan ben heb ik gehaald. Ik ben van kust naar kust gereden. Ik ben door het rode hart van Australië gegaan, ben door woestijn getrokken en heb één van ’s werelds meest verlaten bewoonde plekken doorkruist, ik ben de droogte doorgetrokken en kijk nu uit op een zee welke tot aan de horizon reikt. Wat een tegenpolen.

De afdaling ging uiteraard vlekkeloos, zoals altijd. Heerlijk om zo moeiteloos met de wind in de haren naar beneden te schieten. Het is altijd een mooie beloning na het harde verzette werk om een heuvel in eerste instantie op te komen.
Nou dacht ik eerst dat de woestijn en de kust een tegenpool van elkaar waren. Maar wat zeg je van die enorme leegte waar ik enkele dagen geleden uit gekomen ben in vergelijking tot een stad met een miljoen inwoners? Dat is even een cultuurschok. Zo val ik zo van de afdaling het drukke verkeer in. Dat is even heftig. Gelukkig kom ik na een uurtje in het stadscentrum van Adelaide aan. Ik boek online op de valreep een hostelletje om zo van een korting gebruik te kunnen maken en check tien minuten later bij het hostel in. Ik trek de deur snel achter mij dicht en laat de drukke buitenwereld voor wat het is. “Wat een tegenpolen” mompel ik in mijzelf. Ik trek mijn schoenen uit, knijp snel mijn neus dicht en zet beschaamd mijn schoenen buiten de slaapzaal. Op naar de laatste tegenpool van de dag; een lekker warme douche.

Laat me weten of je het artikel leuk vindtShare on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on Google+0Share on LinkedIn0

3 thoughts on “De tegenpolen

  1. Elly says:

    Hoi Jim!!! Wat een geweldig verhaal weer zeg!
    En wat een verschillende gebieden heb je weer afgelegd.
    Ik vond die foto van Ochre pits echt heel bijzonder zeg alsof je op een andere planeet bent echt prachtig.
    Ook het verhaal van de kroeg midden in de woestijn……hoe is het mogelijk dat daar mensen dus wonen en werken!
    Ik vond het weer super leuk om te lezen en ben inmiddels begonnen met aftellen.
    Heel veel liefs en we zien elkaar dus weer gauw dikke kus

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *