Het boeren leven

Ik ben onderweg naar mijn eerste werkdag. Iedereen in de trupee (de werkauto) is nog half in dromenland. Ik staar door het raam naar buiten. De zonsopkomst zorgt voor spectaculaire kleuren in de lucht. Het is alsof we door een ansichtkaart rijden; heuvels, tropische vegetatie zoals palmbomen en dan natuurlijk het roze-oranje luchtruim.
Eenmaal bij de plantage aangekomen vraagt de contracter, genaamd Savi, of ik ervaring heb met het ‘humpen’ van bananentrossen. “Nee,” zeg ik “vandaag is mijn eerste dag”. Onder de woeste baard van de Punjabi klinkt een diepe zucht. “Kan je tractor rijden” voegt hij er aan toe. “Nee, ook nog nooit gedaan. Ik weet wel hoe ik moet autorijden” geef ik hem als antwoord. Daar lijkt hij genoegen mee te nemen.
Eerder heb ik jongens thuis zien komen na hun eerste werkdag. Gesloopt waren, gebroken, overal hadden zij pijn. ’s Avonds liepen ze verkrampt van de douche naar een bank waar zij niet meer weg te slaan waren.
Wat ben ik er op mijn eerste dag goed vanaf gekomen. Voornamelijk heb ik de hele dag op de tractor rondgereden. We werken met een crew van vijf man, drie Indiërs, allen afkomstig uit de westelijke staat Punjab en de vierde jongen is een Kiwi uit Nieuw Zeeland. Aan beide kanten van de tractor lopen twee jongens van wie er een één met een kapmes rondloopt. Diegene met het kapmes checkt of een tros gereed is om te kappen. Zodra de bananen aan een tros dik genoeg zijn wordt er een X in de boom gekapt. De andere jongen trekt de tros op zijn schouder waarna deze wordt los gekapt van de boom. De humper brengt de tros naar de trailer terwijl de cutter de boom kapt en opzoek gaat naar de volgende tros. Geregeld spring ik van de tractor af en neem de rol als humper op mij. De trossen zijn zwaar en het is lastig om in het begin het juiste balans te vinden. De ene keer ligt hij te ver voor mijn schouder waardoor ik naar voren schiet, de andere keer steekt er te veel aan de achterkant uit waardoor ik zowat door mijn rug ga. Ik probeer mijn uiterste best te doen om geen trossen te laten vallen, dat is immers wat het geld in het potje brengt. Aan het eind van de dag ben ik dan ook erg tevreden met mijn resultaat. Ik ben geen enkele tros laten vallen en heb het voor elkaar gekregen om de tractor niet te laten crashen. Ook de baas is tevreden en zodoende mag ik de volgende dag terugkomen.
De tweede werkdag verloopt evenals heel soepel. Ik rij wat op de tractor, hump een paar trossen. Op één van de blokken is het fruit te groot gegroeid. Dit dient allemaal omgekapt te worden. In het begin begreep ik dit even verkeerd en wou ik een neerkomende tros humpen, de cutter kon de genade slag nog net inhouden en wist zo te voorkomen om mijn hoofd van de romp te scheiden; toch fijn dat het goed ging. Van iedere neergehaalde tros moet ik de zak, die om elke tros zit, afhalen. Het is dus een makkie. Tijdens de smoko, oftewel de lunchpauze, laat de contractor een filmpje zien van zijn aardappelboerderij in India. Bij het zien hiervan roep ik “Aah! Aloo!”, de contractor kijkt even moeilijk, hij heeft duidelijk even tijd nodig om te verwerken wat ik zojuist gezegd heb. Er verschijnt een grote glimlach op zijn gezicht “Haha! Yes my brother, Aloo!” roept hij uit. De Kiwi kijkt verbaast op “Waar hebben jullie het in godsnaam over?” vraagt hij. “Mijn broeder hier spreekt hindi” antwoord Savi. De volgende vraag is natuurlijk hoe ik dat weet. Zodoende verklaar ik dat ik recent India doorkruist heb op een fiets. In eerste instantie keek Savi vaak met een norse blik, sinds de smoko heeft zich een permanente glimlach onder zijn baard onthuld.
Aan het eind van de dag lopen we terug van de blokken naar de schuur. Onderweg stoppen wij even want er is een beest tussen de bladeren op de grond gespot. Het is een dikke, pakweg drie meter lange, python. Papi, één van de Indiërs, vraagt “Is het veilig als ik hem weghaal?” waarop Savi zegt “Natuurlijk, geen probleem, hartstikke veilig, gewoon bij de staart pakken”. Papi benaderd de slang van achter. Hij grijpt zijn staart beet waarop Savi begint te schreeuwen “Rennen Papi! Rennen Papi! Papi rennen!”. Als een dwaas rent Papi het bananenblok uit terwijl de meterslange slang achter hem aan stuitert. Zodra hij hem loslaat schiet de python naar voren en poogt Papi, die door is blijven rennen, te bijten. De Kiwi snijdt uit een bananenblad een stok en geeft een demonstratie hoe je de slang met veel souplesse op een veilige manier op kan pakken. Hij geeft de slang een lift naar hoog gras waar hij niemand tot last zal zijn. We lopen terug naar de voertuigen en onze werkdag zit er op.

Het is donderdag. Wie vandaag tussen vier en zes uur ’s middags zijn huur betaalt krijgt op vrijdag avond een gratis kan bier in de kroeg. Ik meld tegen Nadine, de dame die de huur regelt maar ook voor iedereen opzoek is naar een baan, dat ik zojuist mijn tweede werkdag gehad heb. Ik ben er natuurlijk heel erg blij mee, maar toch wil ik graag nog kijken voor iets anders. Het is namelijk zo dat mijn huidige baan onderbetaald is en bovendien ook zwart werk. Dat brengt vervelende zaken met zich mee, ik ben nooit zeker of ik daadwerkelijk uitbetaald ga krijgen. Ook kunnen dingen heel naar worden op het moment dat zich een bedrijfsongeval plaatsvindt; in dat geval ben ik namelijk niet verzekerd. Een laatste pijnpunt is dat wanneer ik drie maanden seizoensgebonden werk zou doen, zoals dat op een bananenplantage, ik in aanmerking kom voor een tweede Working Holiday visum in Australië. Nadine begrijpt het helemaal en zodoende kan ik op de lijst blijven staan.
Een minuut of twintig later komt Nadine naar boven gesneld. “Jim, Jim, kom snel naar beneden! Er is iemand die jou wilt spreken”. Ik haast mij naar beneden, loop Nadine achterna de bar in. Aan de bar zit een jongen van rond mijn leeftijd met een biertje in zijn hand. Ik word aan hem voorgesteld en een kort sollicitatie gesprek volgt. “Heb je ervaring met humpen?” vraagt hij “Ik heb het net een paar dagen gedaan”, “Oke dat is mooi. Wij werken voor een kleine boerderij en je gaat samen met mij humpen. Kan je zondag al beginnen?”. Zo heb ik eventjes binnen twee dagen mijn tweede baan alweer binnengesleept.

Op zondagochtend word ik rond zonsopkomst opgehaald. De trupee wordt bestuurd door mijn nieuwe supervisor; Joe. Hij is afkomstig uit Ierland, inmiddels voor twee jaar in Australië. Dankzij hem heb ik de baan gekregen. Naast hem zit de Koreaanse Jennifer. Zij is eveneens bijna twee jaar in Australië en is Joes vriendin. Ik zit achterin samen met Grace. Grace komt uit Taiwan, zij werkt oorspronkelijk voor de boerderij van de broer van mijn nieuwe baas. Vandaag komt zij ons voor de verandering eens versterken.
Op de boerderij word ik kort voorgesteld aan de twee bazen. Meneer baas, Shane -, en mevrouw baas, Racheal Zonta. Het is een kleine boerderij, voor Australische standaard. Vlak naast de shed – de schuur, staat hun woonhuis, waar zij samen met hun drie kinderen wonen.
Het is tijd om aan de slag te gaan. Ik sta achterop de trailer terwijl Joe de tractor rijdt. We moeten de weg oversteken die wij zojuist over zijn gereden met de trupee. Hiervoor moet ik plastic matten over de weg uitleggen zodat de wielen van de tractor het wegdek niet raken. Wij delen de weg namelijk met de boerderij van Shanes broer. De blokken liggen dan ook redelijk kriskras door elkaar heen. Toch zijn er hele strikte regels. Er heerst een grote angst voor een bananenvirus die volledige boerderijen plat kan gooien; het zogeheten Panama virus. Nadat de tractor de weg over is gestoken schuif ik de matten terug op hun plek, dip mijn voeten in een bak met ontsmettingsmiddel en stap weer achterop de trailer.
We rijden het eerste blok in. Zodra Joe de tractor stil zet stap ik af en volg hem naar de eerste boom. De boom wordt ingesneden, ik trek de tros op mijn schouder, deze wordt losgesneden en ik breng hem naar de trailer. Zo gaan wij door totdat de trailer gevuld is. Telkens probeer ik zo snel mogelijk terug van de trailer bij de volgende boom te komen. Er wordt mij verteld dat ik dit niet hoef te doen. Het is een kleine boerderij waar we voor werken. Het gaat niet om dat we snel werken maar het is belangrijk dat we goed werken. Als ik blijf rennen ben ik straks helemaal gesloopt, dat kan ten kosten gaan van het beleid waar ik de trossen mee behandel. Wanneer Joe even moet wachten neemt hij soms zelf de tros op zijn schouder en kapt deze los. Uiteindelijk is de trailer vol en we rijden terug naar de shed.
De tractor rijdt door een doorgang in de shed. Daarnaast staat een stellage en aan een metalen frame hangen touwen. Daaronder wordt de trailer omhoog getakeld en ik krijg het proces uitgelegd om de trossen aan de touwen op te hangen. Hierna wordt de trailer weer naar beneden gehaald waarbij nauwlettend in de gaten wordt gehouden of de trossen daadwerkelijk goed vast zitten. Mijn volgende taak is het afhalen van alle zakken die ter bescherming om de trossen hangen. Opvolgend zijn het ophangen van alle zakken. Zodra dit gedaan is wordt ik meegenomen naar de “schone”-zone van de shed. Op een rails staan de dozen, die reeds door Jennifer en Grace zijn gevuld met 16,5 kilogram haarfijne bananen. Hier moet ik een deksel op doen, een paar druppels lijm en vervolgens stapel ik deze op een pallet. Zodra alle dozen gestapeld zijn help ik bij het gereed maken van dozen. Ik pak deze niet zelf in maar doe een plastic zak en twee vellen papier in een doos. Deze stapel ik op in handbereik van Jennifer en Grace om zo het inpakproces voor de dames te versnellen.
Het is tijd voor de tweede trailer. Daarna volgt hetzelfde riedeltje; hangen, zakken afhalen, opruimen, dozen stapelen, dozen maken. Gemiddeld doen wij op een dag zo’n vier trailers; dus wij doorlopen ieder traject viermaal. Dit blijkt het patroon te zijn waar ik de komende maanden mijn gemiddelde werkdag mee zal vullen.
Er wordt geroepen dat het tijd is voor de smoko – de lunch. Dagelijks hebben wij twee pauzes van 35 minuten. Zodra ik mijn tas open maak besef ik dat ik ’s morgens nog niet zo wakker was als ik dacht. Ik heb mijn lunch in mijn kamer laten staan. Voortaan ga ik dat dus even anders doen, ik ga mijn tas ’s avonds inpakken.

Ik krijg per week uitbetaald. Dat komt voor mij uitstekend uit want daarmee zijn al mijn financiële zorgen opgelost voordat ik het weet. De eerste twee weken verlopen gesmeerd. Ik doe mijn best op het werk en dat werpt zijn vruchten af. Ik leer steeds meer en nog steeds heb ik geen enkele tros laten vallen. Ik blij, de baas blij, iedereen blij.

Het is vrijdagochtend. Ik ben vandaag vrij en plan samen met Shota en Taka een uitstapje. We willen ergens gaan vissen. Vervoer is onze eerste uitdaging, de tweede is de vraag waar we eigenlijk heengaan. Ik speur de kaart af opzoek naar een mogelijke geschikte visplek die vanaf een openbare weg te bereiken is. Zo valt mijn oog op de Tully River. Specifieker de uitmonding van de rivier in de Koraal Zee bij het gehucht Tully Heads. Het gebied is omgeven door verschillende National Parken. Er is slechtst een logische wijze om er te komen; liftend. We laden onze tassen in met vlees voor op de barbecue, een sixpack bier, frisdrank en snacks. Daarnaast dragen we een visset, een ukelele, een speaker en een vel karton met het opschrift “Tully Heads” bij ons.
We beproeven eerst ons geluk uit bij het tankstation, hier hoeft immers niemand voor ons zijn auto langs de kant van de weg tot een halt te brengen. Het duurt allemaal wel erg lang en zodoende besluiten we maar een stuk te gaan lopen. Na ruim vijf kilometer de snelweg gevolgd te hebben slaan wij linksaf. Vanaf hier loopt de weg direct door naar onze bestemming. Iedere auto die hier langs rijdt zou ons eventueel kunnen brengen. We lopen nog eens vijf kilometer. Dan stopt er een auto voor ons. De bestuurder is een Indiër. Hij werkt op een bananenboerderij en had ons eerder bij het tankstation zien staan; toen kwam hij zelf echter vanaf de andere kant aan. We praten de rit van 17 kilometer makkelijk weg. Hij zet ons af op exact de plek die wij op de kaart hadden uitgezocht.
De plek is echt fantastisch. Er zijn heuvels, de rivier, het strand, de zee, mangrove bossen en de spanning van een ontmoeting met een zoutwater krokodil. Wat willen wij nou nog meer?
Het is een prachtige dag. We maken vuur waar we ons vlees boven grillen. Heel actief wordt er niet gevist en naast een flinke knoop in het draad wordt er niks gevangen. De zonsondergang maakt de plek nog mooier.
Taka begint meer en meer druk te zetten dat we moeten gaan, we willen immers niet door het donker terug lopen. Daar heeft hij gelijk in, we pakken uiteindelijk de spullen in en vertrekken. Net als wij het strand aflopen krijg ik een telefoontje van Joe, of ik morgen kan komen werken. Natuurlijk; graag zelfs! Niet veel later blijkt dat wij veelte laat vertrokken zijn. Het is etenstijd, de weg is compleet verlaten en het wordt nu echt donker. Voor Taka zit de lol er snel op. Ik probeer de boel nog een beetje op te fleuren en speel op mijn ukelele. Shota vergezeld mij en zo ontstaat er een zowaar een “Long walk blues”. Het blijkt ook echt een ‘long walk’ te worden. We hebben bij elkaar 23 kilometer op slippers gestrompeld als er uiteindelijk een auto op de snelweg stopt om de laatste vier kilometer te overbruggen. In de wandeltocht van 23 kilometer is er vijf uur verstreken. Er zijn drie auto’s voor ons gestopt. Daarvan was één een vriendelijke vrouw met een volgeladen auto waar slechtst één enkele plek vrij was. De tweede auto reed ons tweemaal voorbij, stopte beide keren, dit was de auto van mevrouw de politieagent die ons vertelde dat wij niet op de weg mochten lopen. Uiteindelijk is het elf uur ’s avonds als wij het hostel weer inlopen. Ik ben helemaal gesloopt en ga snel naar bed, over zeven uur moet ik alweer werken. Toch was het het allemaal waard, want wat was het een mooie dag.

’s Morgens vroeg word ik door Joe en Jennifer opgehaald. Ik vertel mijn avontuur van de afgelopen nacht. “Had ons gebeld! Dan konden we jullie ophalen” zegt Joe. Ja, daar zeg je me wat.
Op de boerderij aangekomen blijkt dat er vandaag geen bananen op het programma staan. Vandaag worden de bovenbenen en de billen getraind. We gaan werken met watermeloenplanten. Shane had eerder op het veld al het gras en onkruid gewied. Daardoor zijn alle watermeloenplanten ingegraven. Nu moeten wij het veld over om ieder plantje weer uit te graven. Dit heb ik geweten ook. De opvolgende twee dagen had ik verrekte spierpijn in de billen.

Vanuit het werk krijg ik een seintje dat iedereen tevreden is. Ik begin mijn vierde werkweek door mijn eigen kapmes in ontvangst te nemen. Eerder heb ik al geregeld mogen oefenen met het mes van Joe voor ‘self cutting’. Deze stap betekend dat ik voortaan voor mijzelf de trossen zal kappen. Ik krijg de rechterkant van de trailer toegewezen als mijn zijde. Ik zoek zelf naar de juiste trossen, meet de dikte op om te controleren of de tros goed is voor de verkoop. Vervolgens sla ik een ‘X’ in de stam, zodat ik de top naar mij toe kan trekken. Ik leg de tros op mijn linker schouder en haal met rechts, waar ik het kapmes mee vast heb, uit naar de stam om de tros los te snijden. Ligt de tros comfortabel op de schouder en heb ik een goed balans dan kap ik direct de boom om. Voelt het wat minder comfortabel dan breng ik eerst de tros naar de trailer en kom daarna terug om de boom om te kappen. Ik ben een bananenninja in opleiding!
Het ‘self cutten’ is even een kunst op zich. Het ‘humpen’ ging mij goed af maar hier moet ik echt even aan wennen. De eerste dagen is mijn schouder erg verzuurd. Ook is mijn kijktechniek niet goed bij het los snijden van de tros, hierdoor krijg ik geregeld de tros op mijn gezicht. Gelukkig kreeg Joe klachten van de sorteerders over kneuzingen aan de top van mijn trossen. Toen hij goed ging opletten naar mijn techniek merkte hij deze ‘face plants’ op en maakte mij er bewust van. Sindsdien hoefde ik ook het elastiekje om mijn bril niet meer te gebruiken.
Wat een heerlijk baantje is het verder. Ik loop lekker buiten, ben fysiek bezig, werk tot zekere mate onafhankelijk, rij geregeld rond op een tractor en krijg betaald om dingen om te hakken. Eigenlijk is dit precies wat ik voor ogen had toen ik naar Australië kwam.

De komende twee weken verlopen eveneens vlekkeloos. Ik blijf meer en meer leren over het werken op een bananenplantage. Het werk gaat mij steeds beter af maar ook ben ik mij er bewust van dat er nog mega veel te leren en verbeteren valt. Er wordt weer gevraagd of ik in het weekend wil werken. Ik ben altijd beschikbaar voor werk, ik ben immers niet naar Australië gekomen om op mijn vrijdagavond van een Great Northern te genieten; zo goed smaakt het Aussie bier trouwens ook helemaal niet.
Deze keer laten wij de bananen weer even voor wat ze zijn, er moeten watermeloenplanten geplant worden. Ik krijg echter andere klusjes te doen. Alle planten die wij enkele weken terug uitgegraven hebben zijn door de regen mislukt. Voordat het veld volledig omgeploegd kan worden moeten eerst de waterleidingen geruimd worden. Dat is mijn taak. Dat is zwaarder dan je in eerste instantie zou denken. Pakweg twee honderd meter kabel, ingegraven in aarde, moet ik als een visserman binnen trekken. Het is echter niet slechtst één kabel, het zijn er ongeveer 80. Als toetje mag ik hetzelfde doen voor een kleiner veld waar pompoenen op gegroeid hebben.
De dag eindigt echter met de mooiste taak die ik mij had kunnen wensen. Ik word naar een klein perkje met jonge bananenplanten gebracht. Ik weet niet exact het doel maar ik krijg als taak om iedere boom om te hakken. Het gaat totaal over vier rijen, een totaal van zeker wel duizend bomen. Shane legt mij uit hoe hij het gedaan wilt hebben. Zolang de baas toekijkt ga ik met beleid te werk. Dan stapt hij op zijn quad en rijdt weg. Voor mij is dit het teken dat het beest los mag. Ik visualiseer mijzelf in een actiefilm zoals 300. Ik daag mijzelf uit om zoveel mogelijk bomen in één slag om te hakken. Ik oefen mijn zwaardvechtkunsten en probeer non-stop te blijven hakken terwijl ik de neerkomende bomen ontwijk en eventueel over mijn schouders werp. Als een maniak ga ik door het veld heen. Ik kan zelf amper bevatten dat ik hier betaald voor krijg. Had mij gevraagd het gratis te doen en ik was blij toe!
De vier rijen zijn als domino stenen omgevallen. De boomtoppen heb ik netjes aan de kant gesleept. Ik ben nog eens snel erdoorheen gelopen om na te gaan of ik echt niks heb gemist. Ik neem een drinkpauze van vijf minuten en raak vervolgens verveeld. Zodoende loop ik maar naar het watermeloenveld om voor nieuwe instructies te vragen. Net op het moment dat ik daar aankom komt Shane mij ophalen. Hij heeft een brede grijns op zijn gezicht en is kennelijk helemaal tevreden. Hij had niet verwacht dat ik nu al klaar zou zijn en heeft even geen andere klusjes meer. Zodoende brengt hij mij terug naar Tully terwijl mijn collega’s verder gaan met het planten van de watermeloenen.
Achteraf krijg ik van Joe te horen dat mijn laatste klus een hoop teweeg heeft gebracht. Shane heeft mij de bijnaam Hurricane Jimmy gegeven. Hij heeft mij aangenomen omdat hij iemand nodig had voor het ‘humpen’. Echter beseft hij dat ik hier ben omdat ik oprecht wil werken. Voortaan zal hij dan ook altijd wel klusjes voor mij beschikbaar hebben. Een typisch gevalletje waarbij iedereen blij is. Wie had gedacht dat zo’n leuk klusje dat teweeg zou brengen?

Pas enkele maanden later word het mij duidelijk waarom ik destijds alle bomen moest omhakken. De werkzaamheden op dit veldje gaan weer verder. Shane graaft met behulp van de tractor alle planten uit de grond. Samen met Joe graaf en trek ik alle planten uit de grond, breek de planten los van elkaar, versleep deze, hak de stammen tot de wortels los en hoos deze volledig schoon met een hogedrukspuit. Het is een zwaar en vies werk. Het zweet druipt over onze gezichten en onze armen zitten onder de modder. Shane vindt het geweldig om ons aan het werk te zien; door al dat zweet wat van ons afdruipt heeft hij het gevoel dat hij waar krijgt voor zijn geld.
Het graven, verslepen en hozen neemt bij elkaar heel wat dagen in beslag. Wanneer wij eindelijk de laatste wortel schoongespoten hebben moet alles op een trailer geladen worden. De wortels worden daarna in stukken gehakt. In de wortels zie je ogen, dit zijn de plekken waar de volgende plant zal groeien. Stop je dit kleine stukje in de grond dan zal daar een hele nieuwe bananenplant uit groeien. Je raadt het al; het hele traject was voor de voorbereiding van het planten van een aantal nieuwe blokken.

Ik kan nog heel veel langer doorvertellen over al mijn werkzaamheden, het werk stopt hier nooit. Toch ga ik even wat dingen iets meer samenvatten. Iedereen snapt inmiddels wel dat het werk hier zwaar is, dat mijn kleding vies wordt en dat ik op de meest gevarieerde klussen wordt gezet. Met alle kennis die ik heb opgedaan zou ik haast mijn eigen plantage kunnen beginnen. Desalniettemin heb ik ook geleerd dat die verantwoordelijkheid niet voor mij is weggelegd. Dat zou bijvoorbeeld betekenen dat ik nooit meer in mijn leven op vakantie zou kunnen, dat ik zeven dagen per week keihard moet werken voor een inkomen wat bepaald wordt door de marktprijs. Ik heb een immens respect gekregen voor de mensen die hier snoeihard werken en hun leven hieraan hebben toegewijd. Alles in het kader om de groenteboer te voorzien van zijn bananen.
Enkele klussen die ik verder heb gedaan zijn het aanleggen van waterleidingen en sproeiers, planten van nieuwe blokken, het omhakken van grote planten om de nieuwe generaties te versterken, het injecteren van diesel in dode planten, het ontbladeren van de planten, stringing; oftewel het aan elkaar knopen van planten zodat deze niet omvallen door het gewicht van de trossen, het uitgraven van een goot, het verspreiden van chemicaliën voor ongedierte bestrijding en de executies uitvoeren van ter dood veroordeelden ratten. Het houdt mij allemaal in ieder geval lekker bezig.

Ratten? Zei ik nou net ratten? Op het werk? Ja, daar komen ratten voor. Meestal verschuilen zij in de trossen. Vaak ontdekken wij ze wanneer de zakken van de trossen worden gehaald in de schuur. Soms echter voel ik ze al op mijn schouder bewegen, of ze schieten ineens uit de tros zodra ik deze op de trailer neer zet. Voor de ratten die het tot de schuur halen loopt het over het algemeen slecht af. Deze lokken wij door middel van een andere zak in de val. Eenmaal in de zak slaan wij ze dood. Ze vernielen namelijk spullen in de schuur; zoals de dozen waar de bananen in ingepakt worden, maar ze trekken ook slangen aan. Het is dus beter om ze een flinke slinger, of twee, tegen de grond te geven. Op een beruchte dag heb ik maar liefst 17 ratten dood geslingerd. Voor alle veganisten; bananen moet je misschien maar niet meer eten.
Wacht even. Slangen? Zijn er ook slangen op het werk? Zeker ook. De meest voorkomende zijn boomslangen die zich eveneens in de trossen verschuilen. Ook deze worden voornamelijk in de schuur ontdekt, al voel ik die een heel enkele keer ook over mijn schouder kriebelen. Deze slangen, alhoewel relatief ongevaarlijk, worden door de baas met een slangenstok uit de trossen gevist en buiten het terrein losgelaten. Echter wil het ook wel eens voorkomen dat er een grondslang voorbij kruipt. Dit is wel heel zeldzaam maar het komt voor. De grondslangen zijn diegene waar je voor op moet passen. Bij ons op de boerderij zijn er enkele zogenoemde ‘Red belly black snakes’. Mochten we er een zien dan is het de bedoeling dat een iemand hem in de gaten houdt en de andere de baas erbij haalt. Die schiet de slang dan met een shotgun af. Ze zijn namelijk levensgevaarlijk. Ook komt de Taipan hier voor. Ik heb deze echter zelf nog nooit gezien. Dit is de derde dodelijkste landslang ter wereld.
Andere veel voorkomende bezoekers op de boerderij zijn wallabies; kleine kangoeroes. Er gaat eigenlijk geen week voorbij zonder dat ik ze voorbij zie hupsen. Soms slechtst op enkele meters afstand.
Overigens komen vleermuizen ook op dezelfde wijze voor als de ratten. Zodra wij de zakken omlaag trekken willen er nog wel eens een paar opvliegen. Doen ze dit niet dan poken we ze even met een stok zodat ze dit alsnog doen. Een uitzondering om de standaard fruit vleermuis was echter een keer dat er een gigantische vliegende vos onder een tros hing. En met gigantisch bedoel ik ook gigantisch; letterlijk een gevleugelde zwartbruine vos, of hond.
Het komt ook wel eens voor dat ik door een cassowary gevolgd wordt. Dit is een enorme vogel, familie van de emu en struisvogel. De cassowary heeft geen natuurlijke vijanden en kent daardoor bijna geen angst. Ze zijn enorm nieuwsgierig en lopen gezellig net zo lang met je mee totdat je ze wegjaagt. Zoals met alles in Australië zit er een addertje onder het gras. Net als bij pinguïns broeden de vaders de eieren en voeden de jonkies op. Wanneer deze in de buurt zijn kan vaders zonder waarschuwing enorm agressief worden. Ze hebben klauwen zo groot als een hand inclusief vingers en ze wegen tussen de 60 en 70 kilogram. Dat wil je dus niet achter je aan hebben. Er komen weleens ontmoetingen met een dodelijke afloop voor. Dit is overigens niet de reden dat zij geen vijanden hebben, daar is een andere reden voor. Toen de Europeanen hier voet aan wal gezet hebben vroegen zij de Aboriginals naar het recept om deze vogels klaar te maken. Het antwoord wat zij daarop kregen luidde als volgt: men maakt een kampvuur en legt de cassowary hierop. Leg daarnaast een steen. Zodra de steen eetbaar is dan is de vogel dat ook.
Een keer heb ik op de boerderij een zoetwater krokodil gezien. Het was een relatief kleine van pakweg 1,60 a 1,80 meter. Hij schrok van de tractor en maakte dat hij snel weg kwam. Zo zag ik een glimp van vlak voordat hij door het struikgewas verdwenen was.
Zo zijn er nog veel meer beesten op de plantage. Groene boomkikkers springen soms op mijn gezicht, guana’s (1,50 tot 2 meter lange reptielen) rennen op een belachelijke wijze rond, bidsprinkhanen plakken zich vast aan mijn shirt, schildpadden duiken onder water wanneer wij met de tractor voorbij rijden, kakkerlakken zitten overal, overal, die proberen vanuit mijn been mijn broek in te kruipen of lanceren zich in mijn shirt. Met de kakkerlakken heb ik een ‘no touch policy’, raken ze mij aan dan voer ik ze over het algemeen aan de padden. Ohja had ik al gezegd dat er ook spinnen zitten? Ook die zijn gigantisch hier in Australië!

Het leven in Tully draait grotendeels om de bananen. Het reizen ligt vrijwel in zijn geheel stil maar dat houdt natuurlijk niet in dat ik verder niks onderneem. Tully ligt afgelegen, voor Nederlandse begrippen is dit ongekend. Toch zijn er vaak genoeg dingen te verzinnen in de omgeving om de boel wat spannend te houden.
Hoe afgelegen is afgelegen? Nou, ik ging bijvoorbeeld eens met vier andere jongens naar de bios toe om de film Suicide Squad te zien. Daarvoor moesten wij naar het dorpje Ingham rijden; om bij de bioscoop te komen moesten wij 95 kilometer rijden. Best afgelegen toch?
Het hoogte punt van het jaar is de Tully Show. De lokale rugby vereniging wordt omgetoverd tot een kermis. Er worden paardenraces gehouden, boerderijen strijden in een bananenwedstrijd om de beste tros er zijn live optredens en de kroeg zit overvol. Het hele dorp en iedereen uit de omgeving is vandaag op de show. Uiteraard was ik hier dus ook te vinden. Een leuk dagje, maar was de entree 17 dollar waard? Niet echt. Maar ik kon dit festijn natuurlijk niet laten schieten! Met Kate en Shota struim ik langs de vele stalletjes. Ik schiet op een paar metalen konijntjes, we bekijken de uitslagen van de wedstrijden en maken een ritje door het spookhuis. Als afsluiting van de avond is er een grote vuurwerkshow.

Het weekend in Tully is redelijk eentonig. Er zijn altijd wel verjaardag- of afscheidsfeestjes. Meestal wordt dit in een van de vele sharehouses gegeven. Vrijdag is altijd de avond. De sharehouses bieden tevens een alternatief op de bar waar iedereen op vrijdagavond aan het indrinken is. Tussen acht en negen uur ’s avonds stroomt de bar tijdelijk vol. Iedereen die namelijk zijn huur optijd heeft voldaan krijgt een voucher voor een gratis kan bier op dit tijdstip. Daarna wordt het weer wat rustiger. Vanaf tien uur veranderd de bar in een nachtclub en draait een dj zijn plaatjes. Een beter feestje is er vanaf elf uur bij de concurrent, Rafters, te vinden. Vijf dollar entree en je bevindt je in hetgeen het dichtstbij een discotheek komt. Het is eigenlijk allemaal wel eventjes leuk maar al snel bevindt je je in een patroon waarvan je denkt “Hey, wacht eens eventjes. Zo verliep de avond vorige week ook al”.
Op een zeker weekend ging het gerucht rond dat er ergens een rave zou zijn. We laten ons met tien man in een taxi naar de locatie brengen. Naast een weiland met koeien wordt een feestje gegeven. Het was niet een rave waar iedereen op hoopte, maar hey, het was weer eens wat anders. Iedereen wordt volgens oude rave tradities met fluorescerende kleuren beschilderd. Om middernacht krijgen we een klassiek bezoekje van de politie. De buurman heeft gebeld dat zijn koeien overstuur raken, of het volume ietsjes omlaag kan. We zijn een van de jongens al snel kwijt geraakt. Gelukkig vonden we hem terug op de achterbank van een campervan vlak voordat we met de taxi terug naar Tully reden. Toch lullig als hij alleen was achtergebleven. Het was een bijzonder avondje, het brak even de standaard weekendrituelen van Tully.

Een andere uniek uitje was toen ik door Joe, mijn supervisor op het werk, werd meegevraagd om mee naar de paardenraces te komen. Vergezeld door Elise, een Nederlandse backpackster waar ik goed bevriend mee ben geraakt, verschijn ik bij de bar van de rugby club vanwaar wij zullen vertrekken. Iedereen is tiptop gekleed. Mannen dragen allemaal overhemden, strakke broeken en nette schoenen. Dit in sterk contrast met het stereotype schoeisel dat iedereen altijd in Australië draagt; slippers. De dames zijn echte dametjes; mooie jurken, hakjes, matchende schoudertasjes en de meest unieke hoedjes. Het lijkt wel Prinsjesdag. Elise rent snel nog even terug naar het hostel om een iets toepasselijker jurkje aan te trekken. Ook ik staar een beetje onzeker naar mijn blote tenen die uit mijn slippers steken.
De bus arriveert. Met pakweg 80 man stappen wij in. Het is niet de bedoeling dat wij direct naar de races gaan. Nee, we gaan traditioneel zoals dat gaat hier in Aussie. Dat betekend dat er bij iedere kroeg die op de route ligt even gestopt wordt. Tegen de tijd dat wij een uur of vier later bij de races aankomen strompelen de meeste dametjes op kromme hakjes naar binnen. Eenmaal binnen gaat iedereen zijn eigen kant op. De eerste race kijken ik en Elise even toe. Daarna vullen wij een formuliertje in om te gokken. Op de aangegeven tijd staan wij langs de zijlijn. De race is te zien op het grote scherm maar op de baan zelf is het rustig. Dan dringt het tot ons door. Oeps, we hebben op een race in Melbourne gegokt. Helaas zonder geluk. We proberen het daarna nog maar een keer, deze keer op een race die daadwerkelijk wel hier wordt gehouden. Helaas ook deze keer zonder geluk. Ik besluit dat ik het wel mooi vind geweest. Ik wou graag het gokken eens uitproberen maar wat weet ik nou van paardenraces af? Ik kan nu tenminste zeggen dat ik het eens beleefd heb.
Later komen wij Joe, Jennifer en Lena tegen. We vergezellen ons bij hun. Genieten zo nog even van de laatste races, live muziek en drankjes. Daarna is het tijd om terug naar de bus te gaan. Jennifer en Lena hebben inmiddels hun hakjes uitgedaan, dat strompelt wat makkelijker. Voordat de bus vertrekt moeten we nog even wachten. In het gras ligt een jongen, netjes in pak maar compleet laveloos. Zijn vriendin krijgt hem niet overeind en hij lijkt het er zelf nog moeilijker mee hebben. Uiteindelijk lukt het meneer om ook de bus in te rollen. Het is inmiddels tot mij doorgedrongen dat paardenraces feestjes zijn waar je je netjes voor aankleed, om vervolgens te gokken en jezelf volledig vol te tanken. Het dringen rondom de tribune voor het beste plekje is niet waar het hier om draait. De enige plek waar gedrongen wordt is in de rij voor het invullen van de formuliertjes en de rij voor de bar. Ook dit was weer een interessante levenservaring die ik heb opgedaan. Het was een leuk dagje maar ik denk dat ik van paardenraces kan zeggen “Been there, done that”.

Gokken is hier in Australië helemaal hun ding. Paardenraces, Greyhound races, gokautomaten en alle overige denkbare sport wedstrijden. Wanneer er een kampioenswedstrijd MMA is gaan we naar Mission beach om dit gevecht in de sportskroeg te kijken. Ik besluit vijf dollar in te zetten op de Ierse vechter. Nadat ik mijn voucher ontvangen heb bespreek ik met de andere waar zij op hebben ingezet. Ik word als gek verklaard om te denken dat er niemand K.O. zal gaan. Die twee haten elkaar, ze moeten vier rondes van vijf minuten, iemand gaat neer! Uiteindelijk blijkt onwetendheid het geheime ingrediënt tot overwinning te zijn. Niemand gaat neer en ik ga met zes keer mijn inzet naar huis.

Ook poker is een geliefd spel hier in Tully. Met wekelijks vier competities waar deelname gratis is en er prijzen gewonnen kunnen worden tot 200 dollar biedt dit een ideale gelegenheid om mijn pokerface te trainen. Ik heb inmiddels al aardig wat pokeravondjes er op zitten en ben tot twee keer toe met een leuk bedrag naar huis gegaan. Altijd leuk ook natuurlijk zo’n pokeravondje, als er verder toch niks te doen was, waarom dan niet een kaartspel?

Geregeld ondernemen we in de weekenden wat uitjes. Meestal houdt dit in dat wij een shuttle bus regelen om ons met een groepje naar het strand Mission beach te brengen. Een andere optie is om verkoeling bij de rivier te zoeken rondom Alligators nest. Wanneer mensen er iets voor voelen om fanatiek te doen en de berg Mount Tyson te beklimmen houd ik mij altijd aanbevolen om mee te gaan. Zo ben ik inmiddels vijf keer de berg op geweest. Heb daar volgens traditie een naakte selfie genomen, heb er twee maal gebarbecued en heb tweemaal wegens een slechte timing in het donker af moeten dalen. Een keer ben ik zelf naar boven gegaan om te kijken hoe snel ik dit zou kunnen doen. In 32 minuten stond ik op de rotsen en keek neer op de wijde omgeving. Nog even en ik ben gecertificeerd Mount Tyson beklimmer.

Een laatste veel voorkomende bezigheid waarmee ik mijzelf zoet heb weten te houden in de afgelopen maanden zijn verschillende creatieve projectjes voor het hostel. De eigenaresse kwam er toevallig achter dat ik af en toe wel eens teken. Zodoende zag zij daar een kans. Ik heb veel klusjes gekregen waarvoor ik in ruil geen huur hoefde te betalen. Dit varieerde van raamtekeningen (die zowaar bekend en veel besproken werden in Tully), decoraties voor op een podium, een hippiebus als photobooth en versiering voor op de tafels. Dit gebeurde altijd in een bepaald thema, waaronder ‘the Rocky Horror picture show’, Oktoberfest, Halloween, Flower power, de Jazz club en uiteindelijk kerst. Het laatste project was een heel groot kerstproject waarvoor ik 16 ramen moest betekenen. Samen met het werk op de boerderij draaide ik hierdoor een paar werkweken van 70 tot 80 uur. Het verdiende zich uiteindelijk goed terug door een plekje in de krant te verkrijgen en vereeuwigd te worden als BT’er (Bekende Tully’er). Ik kreeg tevens een riante vergoeding van het hostel hiervoor. Ik hoef namelijk nooit meer huur te betalen!

Het voelt inmiddels alsof ik mijn leven aardig in Tully opgebouwd heb. Ik voel mij dan ook wel erg gesetteld. Ondanks dat Tully een gat in ‘the middle of nowhere’ is krijgen we het hier voor elkaar om toch altijd wel leven in de brouwerij te brengen. Inmiddels heb ik ontelbare mooie herinneringen kunnen delen met zo veel verschillende mensen. Het is een gek idee. In het hostel is er slechtst een iemand die hier langer verblijft dan mij. Ik heb mensen zien komen en gaan. Er ontstaan altijd vriendengroepjes, die vervallen doordat mensen vervolgens weer vertrekken. De groepjes kenmerken bepaalde periodes hier in Tully; “Weet je nog toen Taka hier was?”. Het zijn de mensen die de sfeer maken. Het is vreemd om terug te denken aan de afgelopen maanden. Ik ben al die tijd stil blijven zitten het is daarentegen Tully die continu in beweging is.
Sommige mensen geven aan het triest te vinden. Iedereen verblijft hier over het algemeen enkele maanden. Lang genoeg om goede vrienden te worden. Dan is het tijd om afscheid te nemen. Zelf vind ik het een mooi iets hebben. Vrijwel niemand komt naar Tully speciaal voor Tully. Iedereen heeft dromen en doelen. Het is een soort rustplaats, een stilte voor de storm. Iedereen heeft zijn eigen reden om hier te zijn en iedereen heeft zijn eigen reden om te vertrekken. Tully is een verzamelplaats van mensen met uiteenlopende doelen voor ogen. Wij stoppen hier om deze voor te bereiden. Wij mogen deze voorbereidingen met elkaar delen. In deze tijd leren wij elkaar kennen, er ontstaat zo waar een Tully familie, we delen belangrijke momenten met elkaar en ook ontstaan er liefdes, soms voor een nachtje en soms voor het leven. Dan is het tijd om te gaan, tijd om los te laten. Je ziet je vrienden vertrekken klaar om hun dromen te verwezenlijken. Ik ben hier wellicht een stuk langer dan de gemiddelde bezoeker maar dat moment komt ook voor mij langzaam in zicht. Al voel ik mij op het moment wat verdwaald. Ik had altijd heel goed voor ogen wat mijn doel was. Ik wist exact welke dromen ik na Tully wil verwezenlijken. Op dit moment weet ik dat echter niet zo goed meer. Er zijn meerdere paden ontstaan die ik zou kunnen volgen; eigenlijk zoals dat altijd al is gegaan tijdens mijn reis. Ik heb een liefde voor reizen en wil daar voorlopig graag nog van genieten, echter heb ik inmiddels ook een andere grote liefde.

Laat me weten of je het artikel leuk vindtShare on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on Google+0Share on LinkedIn0