Het rode hart

Het voelt gek. Emoties wisselen zich in een razend tempo af. Het moment heeft iets bijzonders maar is ook vrij triest. Een nieuw hoofdstuk heeft zich geopend, een nieuw avontuur is begonnen. Ik heb daar lang naar uitgekeken maar vandaag lijkt alles even te snel te gaan. Alles lijkt de laatste tijd zo snel te zijn gegaan. Ik verliet Tully eerder dan verwacht, kon zelfs geen fatsoenlijk afscheid nemen van de familie waar ik maandenlang voor gewerkt heb. Daarna zijn de negen dagen samen met Aki voorbij gevlogen. Zelfs het afscheid met haar vond onverwachts niet ’s avonds maar ’s morgens plaats. Vervolgens zit ik een uurtje later weer op het zadel en is het grote avontuur begonnen. Het moment overweldigd mij. Het voelt goed, althans doet het dat wel? Het is wat ik wou, toch? Ik weet het allemaal even niet. Het is een lastig dilemma zo op weg. Het is dezelfde weg waar Aki nu op rijdt, echter heeft zij een voorsprong die ik nooit meer in ga halen. We volgen dezelfde weg en toch gaan we volledig de andere kant op. Op het moment is er niks aan te doen. Ik probeer het moment te accepteren, mijn longen vullen zich met frisse lucht terwijl het stuur van Bandhoo gericht staat richting de vrije open wereld.

Mijn beweegredenen om destijds naar Australië te komen is lang niet zo avontuurlijk of romantisch zoals die van vele andere reizigers. Ik zocht hier niet naar avontuur. Het land trok mij om de één of andere reden ook nooit zo aan als reisbestemming. Ik ben niet, zoals sommige backpackers, opzoek naar mijzelf. Ik hoef niet perse een selfie met het Operahuis in Sydney, of te duiken in the Great Barrier Reef, ook vind ik mijn fotoboek mooi genoeg zonder een foto van Ayers rock er in. Mijn beweegreden om pakweg tien maanden terug naar dit gigantische eiland te komen is veel simpeler en praktischer dan dat. Ik had geld nodig. Het voelde destijds niet goed om terug naar Nederland te moeten komen. De Australische economie is goed, er is veel werk beschikbaar, het is makkelijk om een werkvisum te krijgen en het gaf mij de mogelijkheid om eens iets volledig anders te doen.
Ik kwam er echter vrij snel achter dat ik Australië altijd onterecht onderschat heb. Het is, zoals vrijwel ieder land, een geweldig land om doorheen te reizen. Zelfs heb ik inmiddels die wereldbekende selfie met het Operahuis gemaakt; ik was immers in februari voor drie dagen naar Sydney gegaan om een nieuw paspoort aan te vragen.
Er was echter wel altijd één ding geweest dat mij aan heeft getrokken aan Australië. Dat is om één van de meest verlaten plekken op de Aarde te doorkruisen, de wildernis, de Australische Outbacks. Veel mensen, voornamelijk de locals, hebben mij om deze wens waanzinnig verklaard. Een wijs man zei vroeger weleens “Waanzin en genialiteit grenzen aan elkaar”. Dat klopt in mijn ogen zeker, al zou ik daar aan toevoegen dat het verschil voornamelijk wordt bepaald aan de hand van succes. Ik ben zeer zeker geen pionier met deze wens, velen zijn mij al op een fiets voor geweest. Ik kan het idee niet uit mijn hoofd zetten; hoe geniaal moet het zijn om deze woestenij op een fiets te doorkruisen? Hoe waanzinnig is dat? Ik volg nu de kust over de Bruce Highway richting het noorden, op weg naar Bowen. Vanaf daar zal ik landinwaarts gaan. De, in mijn ogen, ultieme uitdaging die Australië mij te bieden heeft is begonnen.

Vlak voor Bowen, waar ik geplant had om te overnachten, kom ik bij een rustplek. Ik vul mijn waterfles bij en dan valt mij ineens iets op. Niet eerder had ik gemerkt dat één van de spaken in mijn achterwiel gebroken is. Ik probeer te bedenken hoe dit gebeurd kan zijn, er is niks geks gebeurd. Althans; ik ben een paar dagen terug wel tijdens een afdaling over een steen gereden terwijl ik Aki achterop had. Vervelend natuurlijk maar zo kom ik ineens tot de ontdekking dat ik helemaal geen reserve spaken bij mij heb. Ik wist zeker dat ik die had, wellicht zijn die ongemerkt ergens in Tully blijven liggen. Deze ontdekking is één van bijzonder grote waarde. De Outbacks doorkruisen zonder reserve spaken zou erg vervelende gevolgen kunnen hebben. Ik speur op mijn kaarten en via internet naar de dichtstbijzijnde fietsenwinkel. Er zitten een paar in Townsville, 200 kilometer ten noorden, en uitgerekend zit er eentje in Airlie beach vanwaar ik vanmorgen vertrokken was. In Bowen vraag ik rond op straat en zo worden mijn eerdere bevindingen bevestigd. Zo wordt op dag één mijn route al omgegooid; in plaats om vanaf Bowen landinwaarts te gaan, ga ik een stukje verder naar boven. Zo besluit ik ook om niet in Bowen te stoppen maar om vandaag nog een stuk verder te rijden.
Het landschap verschilt redelijk met dat van Tully. De heuvels zijn vlakker en de afstanden tot de heuvels zijn langer. Er groeien andere soorten bomen en planten. Het gebied rondom Tully is eigenlijk indrukwekkender, meer heuvels, veel groener. Veel bananen hebben ze hier niet, hier draait het voornamelijk om het suikerriet. Het gebied kent aanzienlijk minder regenval dan het gebied rondom Tully. Het staat hier dan ook bekent als de droge tropen terwijl Tully bekent staat als de natte tropen, oftewel; het regenwoud. Grappig en typisch hoe dit op relatief korte afstand zo van elkaar kan verschillen, het is immers dezelfde kustlijn. Het verschil valt voornamelijk te verklaren door de heuvels. De lange valleien geven stormen en wind die vanuit de zee komen een vrije ongehinderde doorgang. Verder in het noorden verstoren de heuvels deze rust. Hierdoor hopen de wolken zich op boven Tully en verdient dit gebied de titel als de regenachtigste plek van heel Australië. Soms leverde dit vreemde tegenstrijdigheden op. Zo heb ik in Tully destijds serieuze overstromingen meegemaakt, terwijl ze op exact hetzelfde moment in Townsville te kampen hadden met de ergste droogte sinds jaren.

Totaal kost het mij vanaf Airlie beach drie dagen om bij Townsville aan te komen. De twee nachten heb ik doorgebracht op gratis kampeerplaatsen, iets wat in Australië zeer veel voorkomend is. De kampeerplaatsen zijn ingericht ter behoeve van automobilisten. De afstanden zijn zo enorm groot in dit land dat de overheid op deze wijze rustplaatsen aanbied om ongelukken op de weg te voorkomen. Dit is voor mij als reiziger ideaal. Op een appje op mijn telefoon kan ik exact alle kampeerplaatsen vinden, ook zie ik of deze gratis zijn of niet en welke faciliteiten er beschikbaar zijn. Zo kan ik bijvoorbeeld ook uitvogelen waar ik overdag water bij zou kunnen vullen of een douche zou kunnen nemen. Het maakt het fietsen aan de eind van de dag ook geregeld makkelijker want ik kan goed inschatten waar en wanneer ik mijn tent op kan zetten. Dat scheelt een hoop zoektochten naar een plek om wild te kamperen. Het doet mij eigenlijk een beetje denken aan het systeem in Iran. Dat was destijds ook ideaal. Men kan daar in stadsparken overnachten dit ter behoeve van pelgrims. Overigens is daar meestal zelfs nog ter veiligheid een politiepost aanwezig.
Door van deze rustplaatsen gebruik te hebben gemaakt kom ik ook tot de conclusie dat dit een goede manier is om met andere reizigers in contact te komen. Ik voer zo interessante gesprekken, leer dingen over de omgeving, drink ’s morgens een bak koffie mee en krijg tips en informatie over de weg die ik ga volgen.

Eenmaal in Townsville rij ik direct door naar de eerste fietsenmaker die ik op de kaart heb staan. Helaas blijkt deze de deuren voorgoed gesloten te hebben. Terwijl ik zo richting de tweede optie op de lijst rij zie ik ineens een klein boetiek winkeltje aan de linkerkant. Er hangen merknamen boven de deur; Surley, Ortlieb, Schwalbe. Merknamen die een gemiddeld persoon wellicht niet heel veel zeggen maar waardoor ik meteen zoiets heb van “Daar moet ik zijn!”. Ik ben puur per toeval op één van de twee fietsenwinkels in héél Queensland gestuit die gespecialiseerd is in toerfietsen. Zo blijkt het dat ik niet zomaar de winkel in loop, een paar spaken koop en de winkel weer verlaat. Dit gehele proces neemt pakweg een uur of drie in beslag. Ik loop de lijst door met alle mogelijke reserve onderdelen die ik nog zou kunnen gebruiken; uiteraard spaken, hulzen voor de versnellingskabels, een plaksetje, reserve binnenbanden. Ook leg ik een probleem voor. Ik heb eerder een achteruitkijkspiegel gekocht en hiervoor een verbindstukje besteld. Het verbindstukje is echter in Tully aangekomen nadat ik er al weg was. Ik heb dus een nieuwe nodig. Deze stukjes zijn gebruikelijk voor oude brommers en zijn extreem lastig om in een winkel te vinden. Mick, de eigenaar van de winkel, denkt met mij mee. Plots vindt hij zijn inspiratie. Het antwoord zat al die tijd al aan mijn stuur. In Maleisië had ik namelijk een kapotte versnellingsschakelaar omgetoverd tot een GoPro houder aan mijn stuur. Uit een grote verzameldoos pakt Mick een oude versnellingsschakelaar, schroeft deze uit elkaar, boord er een groter gat in en ‘voila’. Terwijl Mick andere klanten te woord staat rijg ik één van mijn nieuwe spaken door het wiel. Uiteindelijk krijg ik zijn visite kaartje mee voor het geval ik een probleem mocht hebben. Mick maakt voor de deur een foto van mij en Bandhoo en daarna stap ik weer op. Dingen gebeuren voor een reden en die gebroken spaak heeft zijn vruchten afgeworpen.

’s Morgens rij ik verder de heuvels op richting Charters Towers. Ik heb afgelopen nacht voor het eerst sinds tijden weer eens wild gekampeerd. Het rook er verrukkelijk, mijn tent stond namelijk te midden van een enorm veld met wilde mint. Zo ben ik de dag gestart met verste muntthee, ook heb ik een zak gevuld met een voorraad voor de hele week. Toch loopt alles vandaag wat stroef. Ik moet de heuvel op, er staat tegenwind, ik heb spierpijn, ik ben moe. Het is niet gek natuurlijk dat ik weer even aan mijn nieuwe, of oude, levensstijl moet wennen. Bij het eerste tankstation stop ik even. In Thailand kwam ik eerder tot de conclusie dat op dit soort dagen een blikje energie drank het verschil kan maken. Voor de deur nip ik het koude blik leeg. Ik puf even uit in de schaduw. Dan valt mijn oog op de tekst van het blik en zo blijkt dat niet alleen de inhoud maar ook het blik zelf daadwerkelijk het verschil weet te maken. Het blik is voorzien van een inspirerende tekst het voelt haast alsof het zo had moeten zijn dat ik dit nu zou moeten lezen. Ik volg het advies op; muziek wordt uit de kast getrokken, de wielen gaan weer draaien. De spierpijn en vermoeidheid zijn verdwenen, van de wind merk ik niks meer en met een energie kick en vol goede moed rij ik eenvoudig die heuvels op.

Charters Towers is voorlopig het laatste grotere plaatsje. De laatste echte supermarkt voor minimaal de komende week. Zodoende sla ik flink wat eten in. Water zal ik later nog wel eenvoudig kunnen krijgen maar eten zal vanaf hier lastiger en duurder worden. Eenmaal het plaatsje uit valt het bereik op mijn telefoon weg. De komende twee dagen volg ik nog de hoofdweg, bij het volgende dorpje zal het bereik vast en zeker wel weer terug zijn. Wat bleek ik er achteraf naast te zitten.

Ik bevind mij op een bijzonder natuurgebied. Het wordt ‘the Great Divide’ genoemd. Het zijn de hooglanden die de tropische kust scheidt van het droge binnenland. Het landschap is hier nog groen, al is het aanzienlijk droger dan rondom de kust. Het is een unieke samenkomst van dieren en planten. Het is letterlijk een grens tussen twee compleet verschillende klimaten. Veel planten en dieren zijn hier gemixt. Het is bijvoorbeeld ook de grens tot waar veel vogels van het binnenland komen, maar ook van de kust. Zo gebeuren er wel eens “ongelukjes” en paren soortgenoten uit een ander klimaat met elkaar. Zo ontstaat er een rijke mix van planten en dieren die je vrijwel nergens anders op de wereld tegenkomt dan hier.
De absolute scheidingslijn is getrokken bij het White mountain National Park, wat zonder twijfel zijn naam dankt aan het witte kalksteen waar de rotsen uit gevormd zijn. Bij een mooi uitkijkpunt las ik een lunch in. Vervolgens spot ik voor het eerst in mijn leven een wilde baardagaam. Vanaf hier is het vrijwel één rechte weg naar beneden. Aan het eind van de afdaling staat een bord met het opschrift ‘Welcome to Queensland’s Outback’. De tropische kust ligt achter mij, de hooglanden liggen achter mij en voor mij ligt één grote leegte opgevuld uit dorre vlaktes en woestijnland. Horizon, na horizon, na horizon. Door deze vlakte loopt een schaars netwerk van wegen, duizenden kilometers lang. Waarvan aan het einde een andere kust geduldig op mij wacht.

Bij het plaatsje Torrens Creek begint mijn eerste echte Outback avontuur. In de plaatselijke kroeg geniet ik van mijn laatste koude drankje voor de komende tijd. Ik laat vanaf hier de hoofdweg achter mij en volg een afgelegen route naar het zuiden. Het volgende punt waar ik water zou kunnen krijgen is het plaatsje Aramac, 270 kilometer verder. Dit was het punt waar ik hoopte nog bereik te kunnen hebben met mijn telefoon. Eenmaal van de hoofdweg af is het kansloos. Echter heb ik geen bereik en nu begint het langzaam tot mij door te dringen. Ik heb geen bereik. Mijn Vodafone simkaart werkt niet in de Outback, nergens niet. De komende twee maanden is deze nutteloos.

Ik laat het asfalt achter mij en rij over een zandweg. Het is een wasbord weg en zit vol gaten en nare hobbels. Het is stoffig en op veel plaatsen is de zandlaag erg dik. Het zand heeft echter iets kenmerkend. Het is rood, okerkleurig zand, het symbool van de Australische Outback.
Ik rij door het Moorrinya National Park. Inmiddels is het asfalt weer terug gekeerd. Het opmerkelijkste zijn de bomen. Deze hebben weinig tot geen bladeren en de takken hebben sierlijke fantasievolle vormen, het is haast alsof ik door een film van Tim Burton fiets.
Na het National Park wordt alles een stuk ééntoniger. Langs de kant van de weg groeit veel dor hooi, hier en daar steekt een boom uit. Het voelt een beetje alsof ik in een hamsterrat zit, na uren rijden lijk ik nog exact op dezelfde plek te zijn.
Er is echter iets wat de rit afwisselend maakt, dat is het wild. De afgelopen tijd kom ik dagelijks kangoeroes tegen. Ook zijn er groepen emoes, dit is familie van de struisvogel. Verder zijn er brolgas, een type kraamvogel dat bekent staat om zijn mystieke dans. Door de lucht cirkelen bruine haviken en de Australische adelaar, één van de grootste roofvogels ter wereld met een spanwijdte tot wel over twee meter. In de toppen van bomen vind ik geregeld verschillende soorten papegaaien en kaketoes waaronder de roze galahs, parkieten en kookaburras, deze laatste is de grootste type ijsvogel ter wereld. De lach van de kookaburra kan makkelijk verward worden met de lach van een mens, of de roep van een aap. Wanneer je in Australië een aap denkt te horen dan moet dat een kookaburra zijn want er komen hier helemaal geen apen in het wild voor. De ijsvogel komt ook voor in de mythologie van bepaalde groepen Aboriginals. Volgens hun is de lach een teken dat er een baby op komst is, dat kan van jouzelf zijn of van iemand in jouw kennissenkring. Wees gewaarschuwd. Als laatste zie ik soms door het struikgewas wilde zwijnen. Enkele keren heb ik een dingo gezien, dit is de Australische wilde hond, vergelijkbaar met de Amerikaanse coyote of de jakhals. Echter heb ik nog geen levende dingo gezien, ze waren allen doodgereden op de weg. Het is triest om te zien hoe veel wild er doodgereden wordt. Er liggen veel emoes op de weg maar zeker kangoeroes. Op sommige plekken kom ik gemiddeld wel iedere kilometer langs een kadaver. Moet je na gaan om hoe veel gevallen dit gaat na dag in dag uit afstanden van honderd kilometer te rijden.

Een leuke ontmoeting op de weg van Torrens Creek naar Aramac was toen een pick-up truck voor mij stopte en er twee typische boeren uitstapten. “Wel heb je ooit! Ik woon hier héél mijn leven maar nooit heb ik hier een fietser gezien! Hoe is het mogelijk? Wat brengt jou hier maat?” vraagt één van de boeren. Zo ontstaat een grappig gesprek. Volgens de man overtref ik hiermee zijn wildste dromen, ik doe wat hij altijd onmogelijk achtte. Nadat ik hem vraag of er echt nog nooit eerder een fietser hier langs is gekomen antwoordt hij “Ben je mal? Natuurlijk niet, ik kan het me niet voorstellen. Als dat zo was geweest dan had iedereen er wel van gehoord. Nee, geen twijfel over mogelijk; jij moet de eerste zijn”. Wereldfietsers zoals ik zijn geen hele bijzondere verschijning. Ik heb er al vele mogen ontmoeten. Decennia lang vertrekken er ieder jaar honderden avonturiers van huis om de wijde wereld te verkennen. Er is vrijwel geen weg in de wereld waar echt nog nooit een fietser is geweest. Ik denk zelf dat er een aantal hier gepasseerd zijn toen deze man net op het toilet zat of iets dergelijks maar wie weet; het zou toch grappig zijn om daadwerkelijk de eerste te zijn.
De mannen willen graag een foto van mij maken, niemand zal hun anders geloven. Vervolgens wordt mijn waterfles bijgevuld en krijg ik een koud biertje uit de esky aangeboden.

Uiteindelijk heb ik het stuk van 270 kilometer door niemandsland overbrugt. Voor het eerst sinds twee en een halve dag zie ik weer een huis. Ik ben in een klein dorpje bestaande uit zo’n vijf straten. Voor de omgeving waar ik mij nu bevind kan dat als stad beschouwd worden. Ik verblijf op het kampeerterrein. Zo heb ik weer een leuke ontmoeting met een gepensioneerde man afkomstig uit Nieuw Zeeland. Hij heeft de afgelopen 37 jaar in Australië gewoond. Daarvoor bracht hij twee en een half jaar door in, jawel, Nederland. Hij sprak zelfs nog een beetje Nederlanders ook. Al kwam hij tot zijn teleurstelling er achter dat het behoorlijk verwaterd is geraakt. Het was interessant om van hem te horen hoe hij Nederland ervaren heeft, hoe hij tegen de Nederlandse cultuur aankijkt en dingen die hij eigenaardig vond. Het leuke is dat voor mij, voor ons, zo veel Nederlandse dingen vanzelfsprekend zijn. Wanneer iemand anders dit zo uitlegt heb ik zelf ineens ook zoiets van “Hééy, daar heeft hij gelijk in, dat is inderdaad anders dan op veel andere plekken in de wereld”. Als voorbeeld gaf hij de Nederlandse woonkamer. Nederlanders pompen altijd heel veel geld in de woonkamer. Er staan leuke spulletjes, bloemen op tafel, er zijn kamerplanten, er hangt een grote foto of schilderij aan de muur. Dit terwijl er aan andere kamers in het huis veel minder aandacht wordt besteedt. De verklaring is heel simpel uiteraard. Dit komt doordat wij in de woonkamer de meeste tijd doorbrengen, dat is waar wij gasten ontvangen, ’s winters overwinteren wij zowaar in de huiskamer; niemand gaat dan zomaar naar buiten. In een heleboel landen, waaronder Australië, is dit heel anders. Het is mooi weer en je nodigt gasten uit om op de veranda te komen barbecueën. Waarom zou je moeilijk doen over een woonkamer?

Ik ben nu vlakbij de hoofdweg die van de kustplaats Rockhampton naar Longreach loopt, de grootste stad in de Outbacks van Queensland. Ik ben van plan om naar Longreach te gaan al is het niet mijn plan om de hoofdweg te volgen. Ik pak een onverharde weg van honderd kilometer naar Ilfracombe, wat vlak naast Longreach ligt.
Deze keuze bewijst wellicht de beste te zijn van mijn toer door Australië tot dusverre. Het landschap is een stuk witter in vergelijking tot de voorgaande plaatsen. In de bodem van klei steken in schaarse hoeveelheid dorre bomen omhoog. Het is een avontuurlijke weg zoals ik gehoopt had dat deze zou zijn. De weg is redelijk goed toegankelijk. Slechts op enkele plekken moest ik afstappen om Bandhoo door de dikke zandlaag heen te duwen. Verder kom ik een recordaantal wilde dieren tegen. Tegen de tijd dat ik aan het eind van de dag de hoofdweg bereik heb ik 22 kangoeroes geteld, 17 emoes en 16 brulgas.
Ik had nog even hoop dat ik in Ilfracombe een telefoonverbinding zou hebben. Volgens mijn kampeer appje zou dat namelijk zo zijn. Dit bleek valse hoop te zijn. Ik besluit om direct door te gaan naar Longreach, daar heb ik nu mijn laatste hoop op gevestigd. Het is vandaag mijn vaders verjaardag en ik wil hem heel graag feliciteren. Ik had eigenlijk op afstand een cadeautje willen regelen maar doordat ik de afgelopen vijf dagen geen bereik had kon dit tot mijn teleurstelling niet. Het laatste wat ik nu nog kan doen is om te zorgen dat ik op zijn minst een felicitatie de deur uit kan sturen. Het was een zware dag, honderd kilometer over een onverharde weg, een brandende zon en nu nog een laatste kleine dertig kilometer naar Longreach.

Vermoeid bij het caravan park aangekomen informeer ik bij de receptie naar de netwerkverbinding. De vrouw achter de balie geeft mij het verlossende antwoord waar ik al bang voor was “Vodafone verbinding? Jonge, je bent in de Outbacks. Vodafone werkt hier helemaal niet. Op sommige plaatsen heb je hier alleen bereik met Telstra”. De winkel om een Telstra simkaart te kopen blijkt volgens de vrouw al gesloten te zijn. Wat een gemiste kans. Verslagen zet ik mijn tent op. Voor de zekerheid fiets ik langs alle drie de tankstations in het dorp om te zien of ze daar geen simkaarten verkopen. Tevergeefs. Ik ga naar de pinautomaat om geld bij te pinnen. Per toeval besluit ik om te kijken of ik geen wifi signaal op kan pakken. Verrekt! Ik zit gewoon exact op de enige plek in het dorp met gratis wifi! Zo rond ik mijn dag tevreden af, heb ik toch nog mijn vader kunnen feliciteren! Ook heb ik Aki eindelijk een berichtje kunnen sturen, die begon zich ook al zorgen te maken nadat ik vijf dagen terug ineens spontaan van de aardbodem verdwenen leek te zijn.

In Longreach, wat als bijnaam heeft ‘Capital of the Outback’ spendeer ik een dagje om zaken op orde te stellen. Als eerste een simkaart. Verder wil ik mijn draagcapaciteit van water vergroten. De 270 kilometer van Torrens Creek naar Aramac was redelijk krap. Later zal ik waarschijnlijk langere afstanden over slechtere wegen af moet leggen. Een jerrycan van 10 liter biedt mij een oplossing. Verder poets ik Bandhoo weer even op na al het stof van de afgelopen dagen, vet de ketting in, koop een nieuwe week voorraad aan eten en héél belangrijk; ik werk hard om mijn laatste weblog artikel te schrijven en met succes te publiceren. Een rustdag goed besteed.

De weg vervolgt in zuidelijke richting. Er is een grotere weg en enkele kilometers daarnaast loopt een onverharde weg parallel daaraan. Er bestaat geen twijfel over welke weg ik van plan ben om te volgen. Dit keer twijfel ik er aan of het echt de beste keus is geweest. De weg is erg slecht, het is vooral flink stuiteren over de wasborden heen. Het landschap is een kale vlakte langs graas vlaktes voor koeien. Kangoeroes of ander wild kom ik hier niet tegen. Maakt verder ook niet uit. Ik ben er nu toch, dan rij ik natuurlijk door ook.
Halverwege de dag heb ik een lunchpauze. Daarna besluit ik om mijn telefoon even op te laden door middel van mijn zonnepaneel. Ik heb 80 procent, heel lang hoeft hij er dus niet in. Ik doe mijn telefoon in een zijvakje en laat hem naïef half open staan. Met een half uurtje haal ik hem er toch wel weer uit. Ik zet een muziekje op en fiets weer verder. Een uur later realiseer ik mij dat mijn telefoon inmiddels wel vol moet zijn. Ik voel even aan het zijvak en schrik mij rot. Het zijvakje is leeg! “Hoe is het mogelijk? Ben ik echt mijn telefoon verloren? Heb ik hem wel in het zijvakje gedaan, zit hij niet ergens anders?” vraag ik mijzelf af. Vanaf het zonnepaneel bungelt een los kabeltje vlak boven de grond. Ik kan het niet geloven, wat naïef om dat zijvak niet goed dicht te maken. “Hoe kan ik dat doen op zo’n slechte weg?” verwijt ik mijzelf.
Er zit niks anders op dan om terug te rijden. Mijn telefoon is meer dan een telefoon. Het is mijn navigatie, het verteld mij niet alleen waar ik ben of heen moet gaan maar ook waar ik water kan vinden; essentiële informatie wil ik de tocht heelhuids afleggen. Ik volg zo veel mogelijk mijn eigen sporen in het zand. Ik kijk tussen veeroosters die ik gepasseerd ben of hij daar niet tussen ligt. Ten slotte vind ik hem terug op het wegdek, 200 meter van de locatie waar ik begon op te laden. Helaas ben ik te laat. Één, of meerdere auto’s zijn er overheen gereden. Er zijn slechts zes automobilisten voorbij mij gereden, maar op een éénbaansweg gaat het natuurlijk snel mis. De accu ligt drie meter van de telefoon zelf vandaan, het scherm ligt aan diggelen, het beschermhoesje heeft zich dapper geweerd maar ligt in honderd stukjes en voor mijn Vodafone simkaart ga ik op mijn knieën door het zand. Dit is zo balen. Ik neem alle onderdelen mee in de hoop dat ik de foto’s er nog van af kan halen.
Het vervolg van mijn dag spreekt voor zich. Ik rij het hele stuk terug naar Longreach, ik moet een nieuwe telefoon kopen.
De tocht valt niet mee. Gefrustreerd leg ik de overige 50 kilometer over de onverharde weg terug af naar het dorp. Het is donker voordat ik eindelijk weer aankom. Gelukkig is de supermarkt de IGA nog open. Nog héél even dan, want over tien minuten sluit hij. Daarnaast is het morgen Pasen dus dan blijven de deuren gesloten. Er zijn niet veel toestellen beschikbaar, net een handje vol. Alle modellen zijn redelijk goedkoop, ik besluit dus om niet te besparen en neem de beste die ze hebben; een HTC Desire. Bij het wifi punt sluit ik alles aan, installeer alle appjes en laat het thuisfront weten over mijn pechdag. ’s Avonds laat keer ik terug naar het caravan park waar ik eerder verbleef. De receptie is gesloten maar ze kennen mij hier in ieder geval, dan zullen ze morgen wat minder gek opkijken mochten ze mij eventueel hier zien.
Op het grasveldje voor de tenten zijn vanmiddag nieuwkomers aangekomen. Het is een gezin uit Townsville. Ook van hun krijg ik een koud biertje aangeboden, kennelijk een Aussie traditie waar ik wel aan kan wennen. Het gesprek begint met de gebruikelijke vragen “Waar kom je vandaan?” en “Waar ga je naartoe?”. Al snel onthult het echtpaar hun passie. Een groot boek wordt uit de auto gehaald. Daarin staan illustraties van alle vogels die in Australië leven. Het stel biecht op “Wij zijn echt vogelfanaten”. We lopen de vogels door die ik gezien zou kunnen hebben. Op zich heel interessant want het brengt iets meer diepgang dan “een groene papegaai” of “een klein schreeuwend zwart met wit vogeltje”. Vooral de man schijnt een opmerkelijke kennis te hebben en noemt aan de hand van mijn simpele beschrijvingen de namen feilloos op. Altijd leuk om zo wat dingen te kunnen leren.

Bandhoo is weer bepakt en met mijn nieuwe telefoon helemaal ingesteld verlaat ik Longreach voor de tweede dag op rij. Dit keer besluit ik om niet de weg des onheils te volgen. Ik neem de normale geasfalteerde weg. De komende dagen breng ik door op lange lege vlaktes. Heel eenzaam is het niet want ik wordt getergd door een vliegen plaag. Nooit eerder in mijn leven heb ik zo veel vliegen meegemaakt. Ze duiken uit het niets op. Tijdens het rijden schieten ze soms mijn neus in, een enkele keer raken ze er zelfs in verstopt. Ze zitten in mijn oren en ogen en ik moet oppassen dat ik ze niet inslik. Zo nu en dan schiet er één mijn keelgat in en hoest en gorgel ik de boosdoener op om deze vervolgens op het wegdek uit te spugen. De grootste ramp is wanneer ik stil ga sta. Achterop heb ik namelijk honderden lifters. Ze zitten op mijn tassen, rug en zonnepaneel. Ze wachten als gieren hun kans rustig af. Zodra ik af rem dan stuift de ondenkbaar grote zwerm massaal op. Dit maakt iets simpels als een lunch tot een zeer vervelende ervaring.
Ongeveer iedere dag passeer ik één dorpje; van Stonehenge naar Jundah en tot slot Windorah. Één van de nachten breng ik door op een gratis kampeerplek genaamd Swan Vale. Het rustpunt bevindt zich bovenop een heuvel. Één van de weinige heuvels in het gehele landschap en zo is er een wijs uitzicht over de oneindige laagvlakte.
Een andere nacht kampeer ik ergens wild langs de kant van de weg. De sterrenhemel is waanzinnig, alle denkbare sterren en planeten zijn zichtbaar, ook de Melkweg. De maan is nergens te bekennen waardoor de sterren extra helder zijn. Tot op een zeker moment en ik kan genieten van een magische opkomst van de maan. Ik staar de oneindigheid in, alsof ik overdag nog niet genoeg gestaard heb over de oneindige vlaktes. Terwijl ik ’s morgens water aan de kook breng voor mijn bakje koffie stopt er een kleine truck gevuld met koeien. Uit de truck komt een oudere man gestapt. Het is boer James. Hij was mij gisteren aan het eind van de dag al gepasseerd met dezelfde truck; ik kon hem nog herinneren. Hij vindt het maar een mooie verschijning hier zo op mijn fiets en dan met de enige twee bomen in de wijde omtrek die exact op een ideale afstand van elkaar staan waar ik mijn hangmat tussen kon hangen. Hij vindt dat ik ballen heb en is er van overtuigd dat ik top fit moet zijn. “Ik weet niet wat jouw plan is” zegt James “Maar ik heb een baan voor je beschikbaar op mijn boerderij”. Het aanbod komt aardig als een verrassing. Ik dank James vriendelijk maar sla het aanbod toch af; ik heb zat gewerkt de afgelopen maanden, ik wil nu gewoon de Outbacks door.

Vlak voor Windorah merk ik opnieuw een gebroken spaak op in het achterwiel. Ik plak hem even vast en rij door tot Windorah waar ik hem zal vervangen. Eenmaal daar aangekomen kom ik tot de duistere ontdekking dat er een enorme scheur in mijn wiel hub zit. De flank waar de spaken in geregen zitten wordt helemaal naar de buitenkant getrokken. Dit is erg, dit is erg. Windorah is de laatste toegankelijke plek van Queensland. Het volgende dorp, Birdsville, ligt bijna 400 kilometer verder waarvan 300 over een onverhard wegdek loopt. Na Birdsville wordt het er niet beter op, vanaf daar zal ik de Simpson woestijn doorkruisen. Een kilometer of 550 over een enorm slechte onverharde zandweg. Als je ergens een goed wiel voor wil hebben, dan is het voor deze rit. Het is het ergste punt waar het fout kan gaan. In het midden van de Outback, de dichtstbijzijnde fietsenwinkel bijna 1.000 kilometer hier vandaan. Geen openbaar vervoer en levertijden kunnen makkelijk oplopen tot twee weken. Het is aan de andere kant mazzel dat ik er nu hier achter kom en niet volledig in ‘the middle of nowhere’. Ik vraag op Facebook bij een groep voor wereldfietsers om raad. Sommige geven mij tips om het wiel een ‘quick fix’ te geven waardoor deze net even wat langer mee zou kunnen. Andere, voornamelijk diegene die het gebied kennen waar ik mij in bevindt, geven als tip om een volledig nieuw wiel op te laten sturen, kosten wat het kost, dan wel al liftend naar de dichtstbijzijnde winkel te gaan.
Ik begin met de ‘quick fix’ ik wil zien hoe goed ik de spullen aan de praat kan krijgen die ik op dit moment heb. Na wat klussen kijk ik redelijk tevreden. Ik heb er wel vertrouwen in dat ik het hiermee zeker tot Birdsville red. Is het in Birdsville niet verder uitgescheurd dan denk ik ook wel dat het resterende stuk een goede kans van slagen heeft. Ik stap op en rij naar een winkel om wat eten en drinken te kopen. Het plan is om in Windorah te overnachten en morgen waag ik het er op. Op het ritje naar de winkel merk ik echter op dat mijn wiel aanloopt tegen de remmen. Er zit toch iets niet helemaal lekker. Ik laad de spullen weer af, draai Bandhoo op zijn kop en meet het slag in het wiel op. Per direct verlies ik al mijn hoop. De eerste gedachten is een opmerking die iemand eerder op Facebook maakte “Als ik hiermee vertrek, dan wens ik later dat ik dat nooit gedaan zou hebben”. De uitwijking van het slag is niet gek groot maar de omvang is gigantisch! Een derde van mijn wiel staat krom. Hier kan ik absoluut niet mee verder, dat is een doodswens.
De volgende ochtend pak ik al mijn spullen in maar laat alles nog even in mijn tent achter. Het plan is om al liftend een nieuw wiel ergens op te halen. De eerste stap is opvang voor mijn spullen regelen. Dit blijkt makkelijker dan gedacht. De eerste persoon waar ik vandaag mee in gesprek raak biedt mij aan dat ik al mijn spullen in een berging zou kunnen achter laten. De volgende stap is om de fietsenwinkels te benaderen om te zien wat zij op voorraad hebben. Hiervoor gebruik ik het gratis wifi van het toeristen centrum. Een camper stopt voor het toeristen centrum en een ouder echtpaar loopt naar binnen. Ik loop ze achterna, wellicht kan ik met hun een lift ergens heen krijgen. In het toeristen centrum open ik een gesprek. Het echtpaar is erg behulpzaam maar gaat zelf de andere kant uit. Marleen, de medewerkster van het centrum, bewijst zichzelf van ongelofelijke waarde. In het plaatsje Charleville, 500 kilometer hier vandaan, zit een monteur die ook fietsen maakt. Over twee dagen vertrekt er een koerier van Charleville naar Windorah. Als de monteur iets heeft liggen dan zou ik het met twee dagen al kunnen hebben. Daarnaast vertrekt er morgenavond een koerier van Brisbane naar Charleville. Heeft de monteur dus niks in huis dan zou dit zelfs nog vanuit Brisbane opgestuurd kunnen worden. De timing is perfect!
Via Marleen kom ik in contact met Robert, de monteur. Hij heeft niks op voorraad liggen maar hij gaat voor me opzoek. Hij houdt mij telefonisch op de hoogte wanneer hij iets vindt. In het centrum wacht ik in spanning af. Van Marleen krijg ik een kopje koffie. Verder blader ik wat door een reisgids over Australië. Tijdens het wachten krijg ik een mailtje van Mick, de fietsenmaker waar ik eerder langs was gegaan in Townsville. Hij heeft een wiel liggen en zou die op kunnen sturen. De verzendkosten zijn echter torenhoog en de verzendtijd is wel acht dagen. Het is een optie maar het is wel echt een beetje te gek.
Net wanneer ik Robert een berichtje wil sturen belt hij mij op. Hij heeft een wiel gevonden in Toowoomba, wat vlakbij Brisbane, en tevens op de route van de koerier, ligt. De verzendkosten zijn onduidelijk. Het wiel is prijzig maar wat wil je. Als alles mee zit heb ik hem al met twee dagen, pak alsjeblieft mijn geld aan en sturen dat ding!
Het is afwachten tot morgen ochtend. Als de winkel in Toowoomba alles volgens instructies gedaan heeft zou het wiel dan in Charleville aan moeten komen. Robert kan hem dan direct doorsturen en ik krijg hem dan donderdag binnen. Marleen biedt haar fantastische hulp nogmaals aan door een bijzonder aanbod te doen. “Als hij niet op tijd in Charleville aankomt dan zouden we een radio bericht naar alle roadtrains uit kunnen zenden. Wellicht dat er eentje je wiel kan oppikken en dan komt hij met het vee mee” zegt ze. Geweldig, wat een avontuur zeg!

Als ik ’s morgens wakker wordt kijk ik op mijn telefoon. Één gemiste oproep, van Robert om 6 uur. Snel bel ik hem terug. Hij spreekt vervolgens exact de woorden die ik hoopte te horen “Het wiel is hier vanmorgen aangekomen en ik heb hem inmiddels alweer voor je doorgestuurd. Morgen moet hij er dus zijn”. De volgende ochtend rijdt er een truck het kampeerterrein op. “Goedemorgen maat, jij wacht hier op fietsonderdelen?” vraagt de bestuurder. En met die woorden krijg ik een gloednieuw wiel in mijn handen gedrukt. Zo is mijn probleem zo eenvoudig opgelost. Ik bel Robert op om het door te geven en om te informeren naar de uiteindelijke kosten; ik heb immers nog helemaal niks betaald. De verzendkosten vallen reuze mee, slechts een derde van het bedrag wat Mick mij eerder heeft aangeboden. Dit is werkelijk waar fantastisch. Opgelucht klus ik alles in elkaar en aan het begin van de middag pak ik mijn biezen en verlaat Windorah met gierende banden.

De eerste honderd kilometer van de weg is nog netjes geasfalteerd. De hele dag rij ik nu dus soepeltjes, zonder gestuiter, het nieuwe wiel in. Ik overnacht bij de ruïnes van een oud hotel, genaamd JC Hotel. Nu is er echter niks meer van over. Het woord “ruïne” impliceert meer dan dat het daadwerkelijk is. Er steken slechts enkele buizen uit de grond. Uiteindelijk kom ik bij de splitsing voor Birdsville of Bedourie; ik sla uiteraard linksaf richting Birdsville en laat daarbij het asfalt achter mij.
De komende dagen rij ik door de wildernis van Australië. Dagelijks wordt ik gepasseerd door een handjevol automobilisten, vaak hangen de bijrijders met camera’s uit het portier om een foto te schieten van de fietser. Eerlijk is eerlijk, het is een bijzonder fenomeen; dagelijks huppelen er hier vele malen meer kangoeroes voorbij dan dat er fietsers in een maand rijden.
De route is op veel plaatsen wat saai maar het heeft ook iets onwijs moois. Het is een uitgestrekte schoonheid die in mijn ogen echt bewonderd kan worden wanneer deze beleefd wordt. Het is een verlatenheid, een dor droog gebied, de grens van de Simpson woestijn en toch is het zo levendig. De kleuren van het wolkendek die voorbij trekken, de kleuren van de zon, het vibreren van de warme lucht, fata morgana’s en uiteraard alle dieren, waaronder een magisch moment waarbij duizenden kaketoes opvlogen en naar hun volgende plek migreerden. Het is de beleving van de natuur waarbij de aandacht niet wordt afgenomen door immense bergen, kliffen, jungles of watervallen, het is een sobere beleving van de natuur waarbij alles draait om de fijnste details, details die van gigantische afstanden waar genomen kunnen worden. Dit is geen plek waar dieren zich verschuilen in diepe oerwouden, hier ligt alles open en bloot voor het oog en de brandende zon. Het is het rode hart van Australië, een unieke en bijzondere plek om te mogen beleven.

Op de vierde dag in de verlatenheid duiken in de horizon de contouren van huizen op. Het zijn er niet zeker niet veel maar ze zijn er zeker. Het is het 124 inwoners tellende Birdsville. De wildernis die ik heb mogen ervaren om hier te komen was een geweldige beleving. Van de wildernis die voor mij ligt; de Simpson woestijn, kan ik mij nog geen enkele voorstelling maken. Ik zou zeggen; één manier om er achter te komen!

Laat me weten of je het artikel leuk vindtShare on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on Google+0Share on LinkedIn0

3 thoughts on “Het rode hart

  1. Elly says:

    Zooo Jim wat een prachtig en bijzonder verhaal weer!!
    Wat een avontuur en wat een geluk dat het uiteindelijk met je fiets en natuurlijk ook je telefoon toch weer helemaal goed gekomen is.
    Grappig ook die boertjes die nog nooit een fietser daar gezien hadden.
    Wel super gaaf om al die dieren daar in hun eigen omgeving te zien zo bijzonder en mooi.
    Het is wel weer een heel ander leven na al het werken op de boerderij, maar ik vind het geweldig om te lezen en ben super trots op je. We zien elkaar weer gauw

  2. Elly says:

    Zooo Jim wat een prachtig en bijzonder verhaal weer!!
    Wat een avontuur en wat een geluk dat het uiteindelijk met je fiets en natuurlijk ook je telefoon toch weer helemaal goed gekomen is.
    Grappig ook die boertjes die nog nooit een fietser daar gezien hadden.
    Wel super gaaf om al die dieren daar in hun eigen omgeving te zien zo bijzonder en mooi.
    Het is wel weer een heel ander leven na al het werken op de boerderij, maar ik vind het geweldig om te lezen en ben super trots op je. We zien elkaar weer gauw

  3. Rinske says:

    Wat een mooi verhaal weer!!! Ben nu wel benieuwd wat er op je energydrankje stond….Ik denk dat je er geen dag spijt van zal hebben dat je ooit op je fiets gestapt bent en die trappers rond bent gaan trappen….En ook nu weer zoals elke keer als ik je verhalen lees ben ik weer mega jaloers en trots op mn broertje!

    Xxx

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *