Jim uit de jungle

imageDe eerste Maleisische bezienswaardigheid is de Taman Negara Perlis. Niet te verwarren met de Taman Negara, de jungle die zich in de centraal gelegen en tevens grootste provincie Pahang bevindt. Ik zit daarentegen in de kleinste provincie, Perlis, in het verre noordwesten. De Taman Negara Perlis is eveneens een jungle. Het National Park dankt zijn bekendheid aan de langste reeks onafgebroken kalksteen rotsen in Maleisië. In deze rotsen bevindt zich een oude verlaten tinmijn, genaamd Gua Kelam. Gua is Maleisisch voor het woord ‘grot’. Verlaten is wellicht niet het juiste woord. Ik parkeer mijn fiets voor de ingang naast wel honderd scootertjes, allen met een Maleisische kentekenplaat. De meeste bezoekers komen echter niet specifiek voor de tinmijn. Zij genieten van een plekje in de schaduw in het park voor de ingang van de mijn.
imageDe mijn zelf is aanzienlijk rustiger dan de parkeerplaats. Via een uitgehakte tunnel van ruim 300 meter lang wordt de overzijde van de rotsen bereikt. De tunnel, oftewel: de mijn, mondt uit in een nieuw park. Het is een bijzondere binnentuin. Tussen beekjes, riviertjes en een wilde wirwar van bomen en planten kronkelen wandelpaden. De binnenplaats is volledig omgeven door de torenhoge kalksteen muren.
Na een wandeling door het park gemaakt te hebben klim ik weer terug de oude mijn in. Ik loop de 300 meter door de duistere gangen terug. Waterdruppels sijpelen van de vochtige binnenwanden naar beneden en creëeren een willekeurig gepingel van ploppende geluiden. Enkele seconden nadat ik de mijn door ben begint het ook buiten te druppelen. Dat gebeurd niet zo zachtjes. Er waait paniek op onder de ruim honderd bezoekers. Ik zie een waas van regen vanaf enige afstand in een noodgang naar mij naderen. Binnen enkele seconden trekt de enorme regenbui de veilige afstand die ik had dicht. Ik wist mij snel genoeg onder de overdekte ingang van de mijn te haasten. Ik word gevolgd door alle bezoekers en in no-time staat iedereen hutjemutje op elkaar. De regenbui gaat gewelddadig hard te keer. Het is een tropische regenstorm zoals je alleen in de tropen mee kan maken. Een lege emmer zou binnen tientallen secondes volledig overstroomd zijn. De weg is dan ook veranderd in een snelstromende rivier. De regenstorm houdt een minuut of 15 aan en verdwijnt bijna net zo snel als dat deze gekomen was. Alle bezoekers vinden het mooi geweest. Iedereen haast zich naar zijn doorweekte scooter om terug naar huis of school te gaan. Een onbeschrijfbaar oorverdovend kabaal vult de lucht tezamen met een penetrante wolk van uitlaatgassen. Ook ik wacht niet af en stap snel op de fiets om het kabaal van de ruim honderd loeiende motoren achter mij te laten.

Ik stop bij de hoofdstad van Perlis; Kangar. Daar kan ik mooi even lunchen en mijn telefoon opladen. Dat hoopte ik althans. Het vinden van een lunchplekje gaat feilloos. Het eten is weer heel anders dan dat van de Thaise buren maar ook hier is de keuken overheerlijk. Het opladen van mijn telefoon bewijst een probleem te zijn. Kennelijk gebruiken ze in Maleisië een andere stekker dan in Thailand. In plaats van een smalle twee pins heb ik nu een grote drie pins nodig, dezelfde die ook in Groot Brittanië gebruikt wordt. Zodra ik het restaurant wil verlaten schrik ik even op “Is het al zó laat?!”. Zo kom ik er ook achter dat de kleine wijzer van een Maleisische klok 30 graden verder gedraaid is dan die van een Thaise klok. Ik ben weer een tijdzone opgeschoven.

imageVanaf Kangar fiets ik naar de kust. De weg loopt direct langs het strand en passeert vele kleine vissersdorpjes. Het is eb en de zee heeft zich ver teruggetrokken. Het ontstane land bestaat uit grijze stenen, donker zand en hier en daar een achtergelaten vissersboot. Het is een waddenlandschap en de blubberkust doet mijn verwachting van de idealistische strandroute te niet. Hier in het verre noordwesten van het Maleisische schiereiland moet men het zonder paradijselijke witte zandstranden doen. Wat ik wel krijg is een spectaculaire show van moedernatuur. De zon verdwijnt in een waas van oranje en roze licht achter de zee. Het wordt donkerder maar geregeld licht de hemel op. Heldere bliksemschichten splijten het luchtruim in tweeën. Het gebrul van de donder klinkt slechtst een fractie later. Het schouwspel is waanzinnig. Het geeft een bijzonder gevoel om langs het modderige zeelandschap te fietsen welke de spectaculaire lichtshow reflecteert. Het gevoel is onbeschrijfbaar. Hier in de buitenlucht, beleef ik het moment, leef in het nu. Energie vloeit door mijn lichaam alsof ik gevoed word door de geladen lucht. Ik voel mij levend en toch ook onwijs klein. De gigantische donderende wereld om mij heen, de kracht waarmee deze inslaat en de wijsheid van de zee. Wat ben ik hiermee vergeleken uit proportie.

’s Morgens word ik wakker in een klein verlaten hutje langs het strand. In het hutje, welke vermoedelijk eens gebruikt werd als marktkraampje voor vis of groentes, heb ik mijn tent opgezet. De weg loopt op minder dan twee meter afstand langs mijn tent. Gelukkig heb ik van voorbijrazende auto’s geen last gehad. Wie rijdt er dan ook midden in de nacht op deze verlaten weg? De rust is teruggekeerd in de buitenlucht. Ik maak een ontbijtje klaar voor mezelf en pak de spullen in. Een nieuwe dag staat weer voor de boeg.
Voorlopig blijf ik de kustlijn nog even volgen. In de vissersdorpjes word ik overal door de mensen enthousiast begroet. Ook worden mijn waterflessen kosteloos met drinkwater en ijs hervuld. Mijn eerste indruk van de lokale bevolking is al direct dat het een heel gastvrij volk is.
Het asfalt maakt op sommige plekken plaats voor een grindweg. De hoofdwegen zijn allemaal fantastisch onderhouden maar dat kan ik van het kleine landweggetje langs het strand niet zeggen. Ik ben bewust van alle wegen afgeweken. Er loopt immers een brug van ruim twee kilometer naar een klein eilandje genaamd Pulau Bunting. Ik heb er geen verwachtingen van maar wat kan ik zeggen; er loopt een brug naar een eiland, dan wil ik graag even kijken. Waarom is hier überhaupt een brug aangelegd? Enkele obstakels moeten in eerste instantie overwonnen worden. Voor auto’s is het met die reden onmogelijk om op de brug te komen. Er zijn redelijk wat scooters verspreidt over de lengte van de brug. Naast de scootertjes staan een emmer, aas en een visser met bijbehorende hengel in de handen. Het rondvormige eilandje is echt heel klein, de diameter zal niet veel groter dan 200 meter zijn. Het asfalt van de brug loopt over in zand. Een strand ontbreekt echter. Heel indrukwekkend is Pulau Bunting verder niet. Het mooiste van het eiland is ironisch genoeg het uitzicht op het vasteland. Ik heb vanaf hier een mooi uitzicht op de Gunung Jerai. Een 1.200 meter hoge vulkaan welke net iets ten zuiden ligt. Deze zal ik straks van dichtbij gaan bekijken. De weg kronkelt er immers deels over. Dat komt straks, nu eerst nog even van mijn rustmomentje genieten.

Na de Gunung Jerai vulkaan achter mij gelaten te hebben en een nachtje geslapen te hebben is het tijd voor het volgende eilandbezoek. Voor vandaag staat Penang op de planning. Penang heeft een rijk kolonialistisch verleden. De beste plaats om hier in te duiken is in de stad George Town. In de stad Butterworth is een haventje welke een ferrydienst heeft naar het eiland. Vanaf de boot is een waanzinnige skyline van de stad te zien.

image

De stad is een schakel van de ‘backpackers trail’, de route en diens bezienswaardigheden die de gemiddelde backpacker op zijn to-do lijstje hoort te hebben staan.
Ik heb op mijn kaart wat bezienswaardigheden genoteerd en aan de hand hiervan een route uitgestippeld. De route loopt langs de Queen Victoria Memorial klokkentoren. Een klokkentoren geschonken in 1897 door een rijke Chinese zakenman. Voor ieder jaar dat koningin Victoria England bestuurd heeft is de klokkentoren één feet (30 centimeter) hoog gemaakt. Totaal is de toren 60 feet. Het is een aardig gebaar geweest van de betreffende zakenman maar om te zeggen dat dit witte klokkentorentje van 18 meter een ‘must’ is om te zien? In mijn mening niet. De volgende bezichtiging is het Fort Cornwallis. Het ruim twee eeuwen oude fort is gebouwd om de verdraaide Nederlanders buiten de deur te houden. Het onbewoonde eiland Penang had namelijk het bestemmingsplan om als haven te dienen voor uitsluitend Engelse schepen. Inmiddels is het fort vergane glorie. De Nederlanders wouden het feestje, vanzelfsprekend, niet missen en drongen naar binnen. De buitenmuren zijn het enige wat nog overeind staat van het fort. Ik ben nog niet erg enthousiast over de stad. Het lijstje is nog niet afgewerkt dus ik geef de hoop nog niet op. De town- en cityhall zijn de volgende stop. De twee gebouwen zien er zeker indrukwekkend uit. Ik maak er maar een foto van, het is de eerste foto na die van de skyline.
imageOpweg naar de hoofdstraat rij ik langs een Chinese tempel. Om het rood groene complex dwarrelen grote rookpluimen veroorzaakt door brandende wierook en bankbiljetten op. De 200 jaar oude tempel is geweid aan de godin van vrede, vruchtbaarheid, vergeving en fortuin; vier belangrijke V’s, voor diegene die fortuin met een ‘V’ zou spellen. De tempel vind ik een mooie afsluiting van de tour.
De belangrijkste keuring van de stad moet nog uitgevoerd worden. Hoe is het eten? Voor twee euro geniet ik van een fantastisch buffet waar ik lekker gevarieerd van op heb mogen scheppen. Één ding is zeker: je kan in George Town verrukkelijk eten! Maar hoe zit het met de koffie? Hiervoor ga ik naar een koffiespeciaalzaak. De zaak heeft vele tientallen verschillende soorten koffiebonen uit alle uithoeken van de wereld. Uiteraard kies ik voor de lokale koffieboon.
Het straatbeeld van George Town is leuk. Er hangt een bijzonder sfeertje en er staan vele kolonialistische pandjes. De bezienswaardigheden zelf vind ik heel zwak. Reisgidsen weten het leuk te verkopen maar waar gaat het nou eigenlijk om? Een kale muur en een 18 meter hoog wit klokkentorentje. Het eten echter is uitstekend. Ook denk ik dat het nachtleven in de stad erg gezellig kan zijn. Die beoordeling laat ik echter aan iemand anders over. Zelf vind ik het na een half dagje eigenlijk wel mooi geweest, ik ga weer terug naar het vastenland. Noem mij maar een cynische cultuurbarbaar maar begrijp mij niet verkeerd: ik heb een leuk uitstapje gehad hoor!

’s Avonds rij ik langs een dorpje. Het is een willekeurige plek, geen toerist haalt het in zijn hoofd hier te stoppen. Ik stop hier puur vanwege praktische redenen. Ik wil even in een restaurantje genieten van de laatste maaltijd van de dag. Zoals altijd is het eten goed. Wanneer ik mijn rekening betaald heb en aanstalten maak om weg te gaan word ik aangesproken. Het is een Britse man, hij woont met zijn Maleisische vrouw in het dorp. “Hoe heb je deze plek gevonden? Heeft iemand je het aangeraden ofzo? Het is compleet van de gebaande paden.” vraagt hij. Het was een toevalstreffer om hier terecht te komen. Maar zo is het maar net. Dat is het mooie van een fietsreis, je beleefd de landen buiten de gebaande paden, ervaart hoe het lokale leven er echt uit ziet en deze indrukken worden op hun beurt geregeld afgewisseld met de toeristische highlights. Ik beschouw mijzelf dan ook niet zo zeer als een toerist. Ik zie mijzelf als een reiziger, een moderne nomaad die zich continu aanpast aan de leefgewoonte van zijn steeds veranderende omgeving. Continu streef ik voor mij uit naar het volgende doel en toch ben ik altijd exact waar ik hoor te zijn.

De nacht breng ik zoals gewoonlijk in mijn tent door. Buiten barst de onweer nogmaals los. Ik kan niet herinneren ooit een heftigere onweersbui meegemaakt te hebben. Het is alsof een stereoscoop vanuit de hemel op de Aarde flitst. Binnen twee tellen licht de wereld weer op. De storm komt gedurende de nacht in golven voorbij. Per uur barsten er misschien wel duizend bliksemschichten door het luchtruim heen. Het is weer een bijzondere nacht maar ik geloof het wel; in deze storm blijf ik lekker veilig en droog in mijn tentje liggen.

Bij een als een loods uitziend gebouw heb ik een waardevolle ontdekking gedaan, de naam is ‘Kedai Rakyat’. Een zeer voordelige supermarkt. Met frisdrank, melk, water, 700 gram cornflakes, koekjes, snoepjes, brood, jam en een oplader verschijn ik voor de kassa. “Ik was slechts opzoek naar drinkwater” grap ik tegen de caissière, al meen ik het ergens ook serieus. Op het vriendelijke gezicht verschijnt een brede lach.
Niet veel later benader ik een verkeerslicht. Het licht staat al enige tijd op groen. Ik haast wat om niet te hoeven wachten voor een rood lampje. Ik heb een fles 100 plus, een sportdrank, in mijn rechterhand en met mijn linkerhand houd ik losjes het stuur vast. Wanneer ik het verkeerslicht passeer springt deze op oranje. Ik neem nog een slok van de fles. Plots klinkt er een klap. Mijn stuur zwenkt plots naar links. De hele fiets, vrijwel onbestuurbaar, dreigt zijwaarts om te vallen. De gedachte duikt in mijn hoofd op dat dit onoverkoombaar een schuiver over het asfalt gaat worden. Met een impulsieve krachtige ruk aan het stuur weet ik het slippende voorwiel weer recht te trekken. Langzaam kom ik aan de zijkant van de weg tot stilstand. Verdorie, die klapband kwam wel op een heel vervelend moment zo met één hand aan het stuur.

Vanaf de top van een berg heb ik een wijs uitzicht over de stad welke aan de voet ligt. Na een klim omhoog is het moment aangebroken waar ik naar uitgekeken heb; de afdaling. Het is gaan regenen. Ik bevind mij op een tolweg waar het overige verkeer 100 rijdt. Hoe graag ik ook in volle vaart naar beneden zou willen stormen moet ik mij toch flink inhouden. De eerste keer dat ik gevallen was gebeurde op een regenachtige dag in het Turkse heuvellandschap langs de Zwarte zee. Door de waterligging kwam ik tijdens een bocht in de slip terecht. Ik bracht het ongehavend en vrijwel zonder schrammen van de sliding af. Een dergelijk incident op deze drukke weg kan heel anders aflopen. Ik hou mij dus maar in, rem continu veel af en doe mijn best om de 50 kilometer per uur niet te overschrijden. Pas wanneer het stuurwerk achter de rug is en de weg in een geleidelijke afdaling recht de stadsgrenzen benaderd laat ik Bandhoo uitrollen. Met een soepele 65 kilometer per uur rij ik het loket voorbij waar automobilisten hun tol dienen te voldoen. Een bord boven de weg toont de tekst “Selamat datang Ipoh”, welkom in Ipoh.
Ipoh is de hoofdstad van de provincie Perak. De hoofdstad telt een vergelijkbaar inwonersaantal als Amsterdam. Eveneens staat de stad bekent om praktijken als prostitutie. In tegenstelling tot andere Maleisische steden voelt de stad vrij grimmig aan. Er heerst een vreemde sfeer, zeker geen goede. De reden voor mij om de stad een bezoekje te geven is omdat ik het artikel voor mijn reisblog graag online wil zetten. Vanavond verblijf ik dus in een hotel. Mijn voorgevoel over de stad wordt nog eens bevestigd wanneer een dame vlak langs mij loopt. Ze tikt mijn broekzak aan, in mijn veronderstelling om daar de inhoud van te kunnen beoordelen. Ik kijk haar verontwaardigd aan. Ze werpt een vlugge blik mijn kant op terwijl ze door loopt. Ze zwaait en klapt wat met haar armen om de voorgaande botsing te verdoezelen als een ongelukje.
Uren later is mijn missie geslaagd. Ergens rond middernacht publiceer ik mijn artikel. Nu kan ik rustig van het bed genieten, een luxe die ik inmiddels al weken niet meer gehad heb.

Het artikel van het reisblog is echter niet mijn enige missie. Ik wil ook even langs de opticien om mijn steeds schever zittende bril weer bij te laten stellen. Ook zou het fijn zijn om een paar nieuwe reserve binnenbanden in te slaan. Het vereist wat zoekwerk en kost allemaal meer tijd dan ik hoopte. Pas in de middag verlaat ik Ipoh. Wel zit mijn bril weer recht op mijn neus. Naast twee extra reserve binnenbanden is mijn fietstas voorzien van twee reserve spaken, een plaksetje, een verloopstukje om een presta ventiel aan een autopomp te bevestigen en een kaartje met de contactgevens van de fietsenmaker; voor het geval ik hulp nodig zou hebben.
imageHet is een zware start van de fietsdag. De brandende zon staat op het hoogste punt. De weg slingert haast op sierlijke wijze tussen kalksteen rotsformaties door om vervolgens een eindeloze bergwand omhoog te kronkelen. De zon lijkt alle energie in mij op te slokken. Ik voel mij futloos in dit weer. De klim vanaf tientallen meters boven zeeniveau tot de 1.400 meter hoge hooglanden valt mij erg zwaar. Het is de Japanse Milk die mij de positieve energie geeft die ik nodig heb. De chefkok parkeerde haar auto voor mij langs de kant van de weg. Middels een grote watertank worden mijn waterflessen bijgevuld. Ook krijg ik energierepen met veel noten mee en een grote zak vegetarische kroepoek; op basis van paddenstoelen. Als klap op de vuurpijl krijg ik het visitekaartje mee van haar vegetarische sushi restaurant. “Als je in de buurt bent ben je altijd welkom om langs te komen, dan trakteer ik jou op sushi!” belooft de lieve vrouw. Het begint te regenen. Fantastisch dit! Wat een mooi moment en dan eindelijk wat verkoeling! Milk haast zich snel naar haar auto, moedigt mij nog even aan en stapt in. Terwijl de auto mij inhaalt zwaai ik haar enthousiast gedag.
Zodra de regenbui in proportie toeneemt rij ik toevallig net langs een wegrestaurantje. Laat het de eerste zijn sinds 30 kilometer klimmen. Ik maak van de gelegenheid gebruik. Verkoeling is één ding maar doorweekt is uiteraard een ander verhaal. Ik bestel één van de populairste gerechten die er te vinden is in Maleisië; nasi lemak goreng. Gestoomde rijst in kokosmelk met sambal en kip.
De heftige regenbui groeit uit tot tropische regenbui. Bakken water storten uit de lucht, geen douche die aan deze hoeveelheden kan tippen. Door de stromende regen komt een scootertje gehaast aangereden. Het is een jongen uit een verderop gelegen dorpje. “Is het goed als ik tegenover je kom zitten?” vraagt hij. Natuurlijk is dat goed. Hij bestelt een bord nasi lemak, dat is met ansjovis in plaats van kip. We kletsen gezellig met elkaar. Veel dingen die ik hem vertel vertaalt hij door naar de overige aanwezige mensen. Het feit dat ik ruim een jaar geen inkomen heb gehad vinden ze allemaal nog het meest onbegrijpelijke. De temperatuur daalt snel. De jongen begint te rillen. “Koud zeg! Wil jij ook een kopje lokale thee?” vraagt hij mij. Ik laat mij snel overtuigen. Op tafel verschijnt een kop thee met zoete gecondenseerde melk. De theebladeren komen uit de hooglanden waar ik naar op weg ben, de Cameron Highlands. Zodra zowel de kop thee als de regenwolk leeg zijn maak ik aanstalten om weer op te stappen. Ik vraag de rekening. “Nee, nee, jouw rekening betaal ik. Jij bent hier mijn gast.” zegt de jongen. “Wees mijn gast” een hartverwarmende uitspraak welke ik zo vaak tegenkom in islamitische landen. Het is zo mooi en zo onwijs leerzaam. Het gaat immers niet om de maaltijd van één euro, het gaat om de achterliggende boodschap “Je bent hartelijk welkom”.

imageHet eerste stuk door de Cameron Highlands is bijzonder mooi. Het is hier enorm groen, enorm heuvelachtig, er is een hoge luchtvochtigheid en de temperatuur ligt ruim tien graden Celsius lager ten opzichte van overige plaatsen op het schiereiland. Dit laatste is voor mij een belangrijke zaak. Al enige tijd heb ik last van vervelende huidontstekingen veroorzaakt door warmte en schurend zout; afkomstig van mijn zweet. De enorm jeukende ontstekingen zullen vanzelf weer over gaan. Wel is het hiervoor belangrijk om de warmte te mijden en daarnaast meerdere keren op een dag mijn huid te spoelen met zoetwater. De regenbuien en het koelere klimaat komen dus als geroepen. Ik word namelijk helemaal kriegel van de jeuk.

Gezien de fantastische eerste indruk van de schoonheid van de Maleisische groene hooglanden staar ik nog even naar de kaart. Zou er geen andere route zijn? Een route waarbij ik meer van de Cameron Highlands kan zien dan het noordelijkste puntje waar ik nu ben. Is er toevallig geen kleine secundaire weg die mij verder in oostelijke richting kan begeleiden? Een weg die ik eerder over het hoofd heb gezien. Warempel! Die weg is er inderdaad!
Ik wijk uit naar het zuiden. Ik begeef mij op de hoofdweg die alle populaire bestemmingen van de Cameron Highlands met elkaar verbind. Het gebied is één van de hoogtepunten van een reis door Maleisië. Het is vernoemd naar de engelsman William Cameron. Hij heeft het gebied eind 19de eeuw in kaart gebracht. Al snel werden zijn kaarten dankbaar in gebruik genomen door Maleisische boeren, Chinese immigranten en westerse kolonisten. Het klimaat blijkt uitermate geschikt te zijn voor plantages. De populairste zijn de thee- en aardbeiplantages maar je kunt het haast niet zo gek bedenken en het groeit hier.
imageDe eerder zo groene heuvels maken al snel plaats voor eindeloze hectares vol zonneschermen. De bossen hebben op veel plaatsen moeten wijken voor de plantages maar de heuvels daar doet men niets aan. Het uitzicht over de plantages is ronduit bijzonder. Zeker de theeplantages zijn een absolute lust voor het oog. De thee die ik eerder getrakteerd kreeg, terwijl de regen de weg deed overstromen, kwam uiteraard hier vandaan. Desondanks zoek ik een theeproeverij op met het beste uitzicht denkbaar om nog eens te fijnproeven. Mijn tafel deel ik met drie broeders afkomstig uit Oman. We praten met elkaar en de jongens zijn vooral erg geïnteresseerd in mijn kijk op Arabische landen en de islam. Het doet ze goed om te horen dat ik daar niet anders dan positief over denk. Wanneer de heren aanstalten maken om weg te gaan zegt de oudste broer “We zien elkaar weer”. Ik antwoord met “Ja! We zien elkaar weer, ergens op de weg in de wereld, insh’allah.”. De oudste broer gaat weer zitten “Je zei zojuist insh’allah, je weet waar dat voor staat?” vraagt hij mij. Het gesprek vloeit voort over de betreffende term. Een term die ik zelf ben gaan respecteren en waarderen. Letterlijk vertaald betekend het “Als God het wilt” maar kan geïnterpreteerd worden als “Als het lot het toelaat.”. De term heeft een verlichtende en rustgevende werking. Onwaarschijnlijke wensen kunnen uitgesproken worden terwijl het nastreven van de realisatie daarvan los wordt gelaten; dat ligt in de handen van het lot. Eigenlijk is de religieuze term verkapte rock ’n roll. Uiteindelijk nemen we toch echt afscheid van elkaar. Zo kan ik door om bij de volgende plantages ook nog even de gekweekte sinaasappels en aardbeien proeven.

image

Bij het dorpje waar zich de afslag richting het oosten bevindt doe ik nog een hoop inkopen. Ik verwacht voor een redelijk lang stuk even geen teken van leven meer te zien. Eigenwijs besluit ik geen geld te spenderen aan drinkwater, dat moet ik in de bergen makkelijk kunnen vinden. Tijdens een afdaling schiet ik langs een watervalletje. Ik heb nu zo lekker de vaart er in, ik stop wel bij de volgende. De weg glijdt de gehele Cameron Highlands weer naar beneden. Het maken van kilometers, zo aan het eind van de dag, is een makkie. “Waarom ben ik nou verdorie die waterval langs gereden?” vloek ik in mijzelf. Ik doe zo zuinig mogelijk met het resterende beetje water. Waarom moet ik soms dan ook zo eigenwijs zijn? Gelukkig kom ik aan het eind van de dag langs een zijpaadje welke richting een authentieke ‘kampung’, oftewel een dorpje, leidt. Het handjevol dorpsbewoners is compleet verrast. Het zou me verbazen als hier ooit eerder een toerist is verschenen. Wel spreken enkele dorpsbewoners engels. Het dorp bestaat uit pakweg vijf simpele boerenhuisjes waar kippen en ver tussendoor scharrelen. Een winkel is er natuurlijk niet maar de vriendelijke mensen zijn mij graag van dienst. Mijn lege waterfles wordt, onder het gegiechel van de meiden, direct gevuld met gekookt water. Probleem opgelost, de volgende uitdaging is echter om weer terug op de weg te komen. De heuvel die ik af was gereden moet ik weer omhoog. Ik geloof niet dat ik ooit een steilere heuvel omhoog gefietst ben. Ik zou schatten dat het stijgingspercentage ergens tussen de 30% en 35% zwengelt, misschien zelfs meer maar ik wil het ook niet overdrijven. Eenmaal terug bij de weg parkeer ik Bandhoo direct tegen de vangrail. Ik neem wat sinaasappels en mijn zojuist aangevulde waterfles mee. Op het gras laat ik mij languit op de grond vallen. Mijn benen staan zowat op knappen door de zojuist geleverde inspanning. Even op adem komen, even wat eten en gelukkig ook lekker wat drinken. De schaduwen zijn lang en het luchtruim kleurt oranje. Tijd om weer verder te gaan, ik moet immers nog een kampeerplekje zoeken.
’s Nachts gaat het moedernatuur weer tekeer. Het bliksemt en wederom komt de regen met pijpenstelen naar beneden. De donder in combinatie met het gekletter van de regen maken mij wakker. Ik draai mij een keer om en plots krijg ik een helder moment. Ik pak een mok uit mijn tas en zet die buiten voor de opening van mijn tent neer. Ik had natuurlijk wel weer wat water maar een kopje extra is mooi meegenomen. Enkele minuten later drink ik de volle mok weer leeg. Ik draai me nog een laatste keer om en beland weer terug in een diepe slaap.

De enorme afdaling vanaf de Cameron Highlands had ik niet verwacht. Daardoor had ik de afgelopen middag een veel langere afstand kunnen rijden dan geplant. Het lange stuk door de verlatenheid blijkt daardoor weer aardig mee te vallen. Het enige dorpje echter; die kwam wel erg goed te pas. Voor het begin van de middag kom ik weer terug in de bewoonde wereld. Ik heb het plaatsje Kuala Lipik bereikt. Het stadje was in zijn glorie dagen, in de 19de eeuw, razend populair onder goudzoekers. Het stadje, eens de hoofdstad van de provincie Pahang, verloor uiteindelijk populariteit nadat kustplaats Kuantan de titel ‘hoofdstad’ kreeg. Kuala Lipik raakte ondanks het rijke kolonialistische verleden vrijwel in de vergetelheid. Pas sinds het huidige millennium werd de schoonheid van het prachtig gelegen stadje weer ontdekt. De stad is weer volop in bloei en zelfs zijn inmiddels de goudzoekers weer teruggekeerd.
Mij kan het goud vandaag gestolen worden. Ik heb een aantal zware dagen achter de rug. Ik voel het aardig in de benen. Op het moment ben ik dan ook veel gelukkiger met een goede maaltijd, of eigenlijk twee.
Dezelfde dag nog verlaat ik Kuala Lipis. De weg volgt een rivier. De heuvels zijn genadeloos. Ze zijn laag en stijl. Niet zo super stijl als van de vorige dag; dat zeker niet. Het is het constante schakelen wat het zwaar maakt. Een constante wisseling van inspanning op de al gevoelige beenspieren. Heuvel op, heuvel af, heuvel op, heuvel af en dat vele tientallen kilometers door. Alle inspanning loont zich. Ik heb het dorpje Kuala Tembeling zeer goed benaderd. Morgenochtend hoef ik nog maar 13 kilometer te fietsen. Dan pak ik de boot naar één van ’s werelds oudste jungles, de Taman Negara. Daar ben ik van plan een paar dagen te verblijven. Zo kunnen mijn bovenbenen en kuiten weer even bijkomen.

Ik sta vroeg op, bereik Kuala Tembeling moeiteloos en dan, dan gaat alles pijnlijk mis. De man van de kaartverkoop van de boten zegt dat er geen boot vertrekt. De rivier is veelte droog en dat gaat de komende dagen niet veranderen. Wel kan ik een boot afhuren voor 140 euro. Als ik opzoek ga naar andere zou ik deze kosten zelfs met zeven andere mogen delen. Het kleine haventje is compleet verlaten. Dat gaat hem niet worden.
Ik heb drie opties over. Optie A: ik ga verder en laat de Taman Negara zitten. Optie B: ik neem vandaag rust in het nabijgelegen plaatsje Jerantut en fiets morgen naar de Taman Negara. Optie C: ik bijt door de zure appel heen en fiets vandaag de resterende 70 kilometer naar de Taman Negara. Met tegenzin kies ik uiteraard voor optie C; ik ga er nog even tegenaan. Het valt mij even zwaar, die rustdag kan ik heel goed gebruiken. Daarnaast verwacht ik dat het een zware rit zal gaan worden. Veel heuvels, veel klimmen en veel graden Celcius. Ik begin maar snel. Het begin is, zoals gevreesd, erg pittig. “Waar ben ik mee bezig, waarom neem ik niet gewoon rust?” vraag ik mij iedere twee minuten weer af. Al van begin af aan betrap ik mijzelf er op dat ik aan het aftellen ben “Nog maar 60!”. Compleet nutteloos voor een terrein waar ik gemiddeld niet harder dan 14 kilometer per uur rij.
Gelukkig blijkt niet de hele weg zo zwaar te zijn als waar ik bang voor was. Nadat ik de kop er af gebeten had nam de intensiteit af. Heuvels zijn hoger en lopen constanter op. Het hele landschap is uitgestrekter. Wat een zegen. Ik keek erg naar mijn rustdag uit, ironisch genoeg gaf die wilskracht mij de nodige energie om steviger door te trappen. Ik kom weer in mijn element, lijk de spierpijn vergeten te zijn en bereik in de middag Kuala Tahan; het dorpje wat als basis dient voor de Taman Negara.

In het dorp informeer ik bij de verschillende toeristenkantoortjes naar de opties voor een meerdaagse jungle trekking. Dit doe ik samen met twee Egyptenaren en een Roemeense. We hadden elkaar eerder op de dag ontmoet toen wij op een speurtocht waren naar een slaapplaats. De drie werken in Kuala Lumpur. Het is vandaag vrijdag, daar komt bij dat het ook een nationale feestdag is. Met die reden hebben de drie een weekendtrip geplant naar de jungle. Ik heb plannen om een stuk langer te blijven dan zij. We zijn dus ook op zoek naar verschillende mogelijkheden voor een tour. Wel besluiten we ons allemaal aan te melden voor een nacht safari; met behulp van een gids en zaklampen gaan we straks de jungle in het donker verkennen.

De gids, TJ, is zo scheel als maar kan. Laat je hierdoor niet misleiden want hij heeft een haarscherpe blik. In het donker weet hij wandelende takken, verstopt onder dode bladeren, aan te wijzen. Ook stoppen we voor een tak die een meter of twee en een half boven ons uit bungelt. In de tak is een groene boomslang te zien, volgens TJ volledig ongevaarlijk.
We lopen in een groep van acht achter TJ aan. De meeste mensen zijn tot mijn verbazing enorm passief. Er wordt zelfs geopperd om allemaal de zaklamp uit te doen zodat TJ in alle rust kan zoeken. Dat terwijl de gids de tour opende met de woorden “Ik ga mijn uiterste best doen maar natuurlijk kan ik ook iets over het hoofd zien. Dus zoek vooral allemaal enthousiast mee. Heeft iedereen een zaklamp?”. Zelf denk ik er net zo over als TJ. Ik loop zo dicht mogelijk achter de gids en speur fanatiek de jungle af. Zo weet ik nachtvlinders, verschillende soorten torren en een bijzonder gekleurde kikker aan te wijzen. De kikker werd zelfs door groepsleden bestempeld als één van de hoogtepunten. Het echte hoogtepunt was toen TJ met behulp van een dun takje een schorpioen onder een boomstam vandaan liet kruipen. Met een blacklight liet hij vervolgens de schorpioen helemaal groen oplichten.
Ik kan het goed met TJ vinden. Tussen het speuren door hebben we gesprekken over van alles en nog wat. Waar hij woont, over zijn familie, zijn ervaringen als gids, hoe hij een gids geworden is, wat voor tours hij begeleidt, of hij weleens door een giftig beest gestoken of gebeten is en wat zijn favoriete voetbalclub is. Aan het einde van de tour vragen ik en Nick, een Rotterdamse backpacker, of TJ suggesties heeft voor een goed restaurant. “Ik weet wel een goede plek. Het is wel een aantal kilometer uit het dorp. Ik en mijn vrouw hebben ook nog niet gegeten. Als jullie willen rij ik jullie heen en terug en eten we samen.” stelt hij voor. Ik vond de tour van bijna twee uur al super leuk maar dit is natuurlijk helemaal een mooie afsluiting van de dag!
Er staan drie lege borden op tafel. TJ is de enige die nog aan het eten is. Van het ene op het andere moment is het ineens pikkedonker. De stroom is uitgevallen. We schijnen met wat zaklampen op de tafel zodat ook TJ zijn bordje leeg kan eten. Het personeel van het restaurant loopt rond om kaarsjes op de tafels te plaatsen. Erg knus maar we vinden het wel mooi geweest. We rijden terug naar het dorp. Op twee ressorts na is het overal donker. Het lijkt er op dat de stroom er in de hele omgeving uit ligt.

Ik heb besloten de meerdaagse trekking nog even uit te stellen. Het lijkt mij leuker om de eerste dag zelf op pad te gaan. Aan de hand van hoe dit bevalt zal ik naderhand een excursie boeken. Mijn gehele voorbereiding past in een rugzakje. Deze bestaat uit een waterdicht vest tegen eventuele regen, een enorme zak beschuit tegen de honger, een fles water tegen de dorst, DEET tegen hatelijke muggen, een powerbank om mijn telefoon op te laden, mijn GoPro, het verplichte permit en een kaart van het gebied in grijswaarden op een a4’tje geprint. Daarnaast heb ik mijn telefoon in de broekzak plus 25 Maleisische Ringit; pakweg zes euro. Waar ik heen ga? De jungle in, verder heb ik geen flauw benul.
De route die ik ’s morgens af loop is dan ook een aardige wirwar. Ik loop van hot naar her en weer terug. Bij een touwbrug, bekend onder de naam ‘the Canopy Walkway’, kom ik Nick tegen. Zelf is hij ook solo op pad. Hij waarschuwt mij dat ik mij snel moet inschrijven voor de wandeling over de brug. De huidige wachttijd bestaat immers al uit ruim 40 minuten. Ik weet wel hoe ik mijn tijd beter kan besteden dan dat. Ik maak rechtsomkeer, bestudeer de kaart en zet mij er eindelijk aan toe om een planning te maken.
Niet veel later beklim ik de heuvel de Bukek Teresek. Op een splising kruis ik het pad met het Egyptische koppeltje, hun Roemeense collega en hun gids. Leuk om elkaar hier te zien, we praten enthousiast even bij. De gids leidt ons via leuke omweggetjes verder omhoog. Wanneer wij weer op de trail uitkomen hebben zij even een adempauze nodig. Ik loop meteen weer verder ik wil namelijk niet te veel van de diensten van hun gids profiteren; even bijkletsen was voor mij wel weer genoeg.
imageIk kom bij een uitzichtpunt uit. Er is een wijs uitzicht over de jungle waar hier en daar meerdere heuvels boven uitsteken. Het lijkt er op dat ik de top behaald heb. Ik loop weer wat verder en zie uiteindelijk een tweede uitzichtpunt. Nu heb ik kennelijk pas écht de top behaald. Ik maak een foto van het uitzicht. Daarop biedt een Indiase jongen aan om een foto voor mij te maken, zodat ik er zelf ook op sta. Als wederdienst maak ik met zijn telefoon een foto van hem en zijn vriendin. We lopen aan de achterzijde naar beneden en raken verwikkeld in een leuk gesprek.
imageHet stelletje, Satya en Anita, afkomstig uit de regio van Mumbai, woont al tien jaar in Singapore. Voordat we het doorhebben zijn we ineens vrienden geworden en verkennen we met zijn drietjes het oerwoud. Bij een zogenoemde ‘hide’ nemen we even rust. Zij hebben bananen bij zich. Zo hebben we lekker bananenbeschuit als lunch. Vanaf de ‘hide’ kan vanaf een hoog oogpunt het terrein afgespeurd worden. Geregeld kan je vanuit deze plek wilde dieren spotten. Hier komen zoal herten, wilde zwijnen, stekelvarkens en miereneters langs. Heel zelden kunnen ook beren, olifanten of zelfs tijgers gespot worden. Al zijn de tijgers, door de aanwezigheid van mensen, veel dieper de jungle in gemigreerd. Wij zien helemaal niks, dat is ook niet zo gek overdag.
Na de lunch maken we nog even een plannetje. We gaan nog een uurtje samen op pad, daarna maken zij rechtsomkeer. Ik wil nog een stuk door. Ik hoop via het einde van deze sectie van de jungle middels een grote loop terug bij het dorp uit te komen.
imageHet uur verstrijkt en het is tijd om afscheid te nemen. Ik krijg een uitnodiging om in Singapore langs te komen. Niet alleen dat; er wordt mij ook een bord thali beloofd, mijn lievelingsgerecht van de Indiase keuken! We maken nog even een foto van ons samen. Er worden nog even grapjes gemaakt over dat deze foto de laatste foto van mij zou zijn voordat ik voor vele jaren in de diepe jungle zou verdwalen. We geven elkaar een knuffel en gaan ieder onze eigen kant op. Niet langer dan twee minuten heb ik voor mijzelf. Er klinkt een enthousiaste Nederlandstalige vrouwenstem “Krijg nou wat, dat is Jim! Hoe is het mogelijk?”. Hoe is het mogelijk ja? Zo een grote jungle en je komt overal bekende tegen. Het zijn vier Nederlanders die ik bij mijn hotel heb ontmoet. De voorgaande dag hadden wij vlak na mijn aankomst zitten pesten. Ze zitten er volledig doorheen, ze zijn moe, hebben het snikheet en balen enorm want de gids spreekt geen woord engels. De gids is in zichzelf getrokken en lijkt het er minstens net zo zwaar mee te hebben. Volgens mij zijn ze aardig tegen hem uitgevallen. Onterecht want dit soort klachten behoren geadresseerd te worden aan het toeristenkantoor in mijn ogen. Overigens zijn ze ook “verdwaald”, de vier hebben geen idee waar ze zijn. De gids weet dat natuurlijk wel maar daar communiceren ze niet mee. Ik laat ze dus op de kaart precies zien waar we zijn. Ook leg ik de route uit en de schatting dat ze met twee uur wel weer terug kunnen zijn. “Kijk daar hebben we wat aan! Kan jij niet onze gids worden? Jim uit de jungle!” roepen ze. Jim uit de jungle heeft natuurlijk andere plannen, namelijk dieper de jungle in.
De opvolgende uren is het rustig. imageIk kom geen mens meer tegen. Rust is natuurlijk anders dan stilte. Er klinken lokroepen van apen, gezang van vogels, getsjirp van krekels, bladeren kraken door wegvluchtende hagedissen, knaagdieren en zwijntjes. De meest uiteenlopende soorten vlinders fladderen om mij heen. Mieren ter grote van een vingerkootje beklimmen bomen. Blauwe, bruine en zelfs rode libellen manoeuvreren als levende helikopters rond. Een schorpioen vlucht snel onder een stuk rot hout. Ook vind ik een duizendpoot, deze heeft een wond op zijn lijf en wordt getergd door vliegjes. Ik denk niet dat deze de dag zal overleven. Het is een mooie ervaring om de immense jungle op mijzelf te beleven.
Het wordt wat later in de middag. Ik begin de vermoeidheid te voelen. Toch heb ik nog een heel stuk te gaan. Een groter probleem dan de vermoeidheid is het drinkwater. Dit lijk ik haast wel chronisch te weinig bij mij te dragen. Met de resterende halve liter doe ik dus maar extra zuinig.
Ik kom bij een waterstroom uit. Hier moet ik even mijn broek, schoenen en sokken uittrekken om zo met droge kleren de overkant te bereiken. Ter informatie: het water in het riviertje is zeker niet drinkbaar, dit zal zonder twijfel vol zitten met een riante cocktail aan parasieten. Na het riviertje staat een wegwijzer “Bumbun Kumbang 500 meter”. Bumbun Kumbang? Ik pak de kaart erbij. Het is bijna ongelofelijk. Er loopt maar één route maar het uitgangspunt van deze route lijkt in het echt compleet anders te zijn dan als op de kaart. Of ik moet uiteraard een navigatiefout ergens gemaakt hebben. Ik zit bijna drie kilometer te ver in het noorden. Deze drie kilometer moet ik nog eens extra lopen, hierdoor heb ik zes kilometer omgelopen. Dit is natuurlijk een vrij pijnlijke zaak gezien je hier gemiddeld twee a drie kilometer per uur aflegt.
Ik bedenk wat ontsnappingsopties. Immers vind ik een wandeling in mijn eentje door de jungle een heel slecht idee in het donker. De vier opties die ik heb houden allemaal in dat ik zeven kilometer naar het zuiden ga. Daar stroomt een grote rivier welke langs het dorp stroomt. Optie A is om vanaf dit punt langs de rivier een trail terug naar het dorp te volgen. Optie B is om bij de rivier met een boot mee te liften. Mochten A en B niet lukken dan is optie C om de rivier over te zwemmen. Deze kan ik dan volgen totdat er een autoweg langs loopt waar ik eventueel terug zou kunnen liften. De laatste optie, optie D, is om bij een kampeerplek te overnachten en de volgende dag via het trail terug te lopen.
imageDe stomste beslissing van de dag maak ik door een stuk af te willen snijden. Ik wil het waterstroompje blijven volgen om zo sneller in het zuiden te zijn. Blijf je op de trails dan is alles prima te doen. Uit de praktijk blijkt dat mensen pas echt hopeloos verdwalen wanneer zij daar van af gaan wijken. Zo was er in 2014 bijvoorbeeld een team van politieagenten voor drie dagen vermist geraakt; leuk zo’n teambuildings uitje. Al snel werd het waterstroompje slecht toegankelijk en ik besluit de situatie te verergeren door één van de meest dichtbegroeide jungles ter wereld dwars door te steken. Mijn respect voor de dieren die hier leven is vertienvoudigd. Ik zie niet veel verder dan enkele meters vooruit. Gemene dorens van varens, welke zeker tot zes meter groot zijn prikken geregeld diep in mijn huid en kleding. Andere planten lijken vriendelijker. Dat is totdat ik er langs loop, vast blijf zitten en kleine weerhaakjes uit mijn huid moet halen. De rechte lijn die ik hoopte te lopen om tijd te besparen is veranderd in een doolhof vol gemene boobytraps. Ik doe mijn best om mijzelf voor deze keuze nog maar even niet te vervloeken, dat komt straks wel zodra ik hier uit ben.
Na veel frustratie en uitputting weet ik de trail weer op te pakken. Mijzelf vervloeken doe ik niet, op het moment ben ik daar veelte blij voor. Het is indrukwekkend hoe het perspectief van de jungle veranderd op het moment dat je van de trail af bent. Door geen doorlopend pad voor je te hebben sluit de jungle je letterlijk in. De ruimte die je gewend bent om te hebben is verdwenen. Na om ieder obstakel gemaneuvreerd te hebben wacht de volgende. Het geharkte pad is vervangen voor een bladerdek en wie weet wat zich daar onder verstopt heeft. Rotte boomstammen zakken onder de voeten weg. Dan zijn er natuurlijk ook nog eens al die stekels maar ook scherpe bladeren.
Wanneer ik het zuidelijke punt bij de rivier bijna bereikt heb is het vijf uur ’s middags geweest. Op een wegwijzer staat aangeduid dat het dorp nog tien kilometer is. Rond half acht is het hier donker. Als ik door ga zal ik minimaal een uur door het donker moeten lopen.
Plots zie ik andere mensen voor mij lopen. Inmiddels is het alweer ruim drie uur terug toen ik de vier Nederlanders met hun gids tegen het lijf was gelopen. Ik maak wat haast om de afstand in te halen die zij hebben. Het zijn vier Fransen en hun gids. Twee jongens zijn samen aan het backpacken en de twee meiden zijn op een weekenduitje; zij werken namelijk voor de Franse ambassade in Kuala Lumpur. Één van de meiden heeft haar enkel verzwikt. Ze zijn dus noodgedwongen van hun tour teruggekeerd. Zij plannen om op de kampeerplaats in de openlucht te overnachten. De gids regelt een boot die hun morgenochtend op komt halen. Volgens de gids ga ik nu niet met een boot mee kunnen liften, daarvoor is het al te laat. Het lijkt er dus op dat ik ook hier ga overnachten.

image

Als afwisseling op mijn beschuitdieet krijg ik rijst met wat verse groentes. Ook krijg ik een nieuwe watervoorraad en waterzuiveringstabletten. Zo is al mijn wanhoop opgelost. Tijd om eens een duik in de rivier te gaan nemen! De enige zorgen die ik maak is dat ik hoop niet gemist te worden. Ik heb meerdere mensen verteld alleen de jungle in te gaan om ’s middags weer terug te komen. Ik wil immers niet dat mensen zich onnodig ongerust gaan maken. Stel je voor straks vragen ze nog een zoekactie aan!
Om ongewenste bezoekers zoals olifanten, beren, tijgers en zwarte panters te mijden bouwen we twee kampvuurtjes. We bevinden ons op een diepte in de jungle waar deze dieren weleens langs kunnen komen. We slapen op een houten verhoging met een dakje er boven. Gelukkig heb ik goed geanticipeerd door een vest mee te nemen, deze kan ik mooi als kussentje gebruiken. Diep in de nacht koelt het flink af. Ik wissel mijn kussentje om voor een waterfles. Mijn vest heeft zijn originele gebruiksfunctie terug gekregen en ik ben weer in een diepe slaap beland.

imageWe worden door een longboat ’s morgens mooi op tijd weer bij de kade van het dorp afgezet. De bootrit was erg mooi. Het water staat wel ontzettend laag. Dat is überhaupt al niet te missen maar het is zo erg dat de onderkant van de boot vele keren over stenen op de bodem schaaft. Als die boot maar niet lek raakt, dacht ik bij mijzelf, anders had ik net zo goed zelf kunnen gaan zwemmen. Eenmaal veilige voet aan wal gezet krijg ik direct van Ellen, één van de Françaises op mijn donder. Ik zou bijna denken dat ze om me geeft. “Jij gaat nooit meer alleen de jungle in!” snauwt ze. We hebben elkaar een beetje leren kennen maar zeker niet genoeg. Anders had ze geweten dat ik zoiets natuurlijk niet kan beloven.
Snel ga ik door naar mijn hotel. Ik meld mij meteen bij de lieve eigenaresse. De vier Nederlanders bleken eind van de middag uitgechecked te hebben. De vrouw zelf dacht dat ik binnen was gekomen nadat zij al sliep. De slaapzaal had zij nog niet gezien. Kortom ik was niet gemist, daar ben ik dan wel blij mee. De eigenaresse van het hotel schrikt er wel even van. Ik stel haar gerust dat alles helemaal goed is verlopen en dat ik een hele mooie ervaring heb gehad. Een douche kan ik nu goed gebruiken. Dan ben ik daarna weer fris voor een nieuwe solo wandeling door de jungle.
Zo heel veel energie heb ik niet meer over. De focus van deze tocht ligt dan ook meer op het vinden van een mooi plekje waar ik kan lunchen. Ik ben niet van plan op slangen, schorpioenen of wilde zwijnen te jagen. Ik heb het mijzelf makkelijk gemaakt door vier afhaal maaltijden ingeslagen te hebben; twee nasi lemak, één nasi goreng en één mee goreng.
Ik begin de wandeling in tegenovergestelde richting als de voorgaande dag. Zo kan ik de trails volgen die ik gisteren nog niet gedaan had. De route loopt langs een rivier. Er zijn opvallend veel vogels hier te vinden, in alle kleuren en maten. Uiteindelijk beklim ik dezelfde heuvel als gisteren, de Bukek Teresek. Bovenaan ga ik in de schaduw van een boom zitten. Voor mij is een fantastisch uitzicht. Dit vind ik een waardig genoeg plekje om twee van mijn lunchpakketjes te verobberen.
Tijdens de weg naar beneden kom ik eerst langs TJ, de gids van mijn nachtsafari. We praten kort bij. Veel tijd hebben we niet want hij begeleid een Japanse familie. Hij moet lachen om mijn verhaal van de voorgaande dag. “Klinkt goed, mooie ervaring” voegt hij er aan toe. Ik ben blij dat wij hiermee op één lijn zitten. Ik waardeer het dat hij dit, als gids zijnde, uit. Ik vind TJ dan ook echt een goede vent; open, eerlijk en oprecht. Na mijn ontmoeting met TJ loop ik langs een Amerikaans stelletje; Alan en Ashley. Ze vragen hoe ik bij de ‘Canopy Walkway’ kan komen. Ik leg ze de route uit. Er ontstaat echter wat verwarring want ze kwamen zojuist van die richting vandaan. Ik besluit om mijn plan, om terug naar het dorp te gaan, van tafel te vegen. In plaats daarvan ga ik het stel vergezellen naar de lange touwbrug door de jungle. Ze bleken uiteindelijk eerder een afslag gemist te hebben. Gelukkig lopen we nu in één keer goed.
imageIn tegenstelling tot de voorgaande dag, toen er een wachtrij stond van 40 minuten, is de ingang verlaten. Er zitten slechts twee parkrangers voor de nodige aanmeldingspost. De brug is op tot 40 meter hoogte aan bomen bevestigd. Daar komt ook de naam ‘Canopy Walkway’ vandaan, immers worden de soort boom in het engels ‘canopy’ genoemd. Zo’n wandeling is nog best spannend op een touwbrug die heen en weer slingert en op en neer stuitert. Ik was in eerste instantie vrij sceptisch over de brug. “Iedereen heeft toch wel eens over een brug gelopen. Geldklopperij om daar geld voor te rekenen.” dacht ik bij mijzelf. Het deel van geldklopperij klopt, het is immers gewoon een toeristische attractie om inkomsten te winnen. Daar is natuurlijk verder helemaal niks mis mee. Over het andere deel had ik het helemaal mis. De brug is zeker een leuke ervaring en ik ben blij het gedaan te hebben. Al is zo’n lange wachtrij in de ochtend wel heel erg overdreven.
Zodra we alle drie weer onze voeten op de grond gezet hebben wordt een bordje opgehangen “Closed”. We zijn de laatste bezoekers van de dag, goede timing. We lopen met zijn drietjes naar de uitgang van het park. Voor de bungalow van Alan en Ashley nemen we afscheid. Ik stap op het bootje om de rivier over te steken om zo terug bij het dorp te komen.

imageIk ben nog niet bij het hotel aangekomen of er klinkt al dreigend gerommel. Enkele minuten later barst de hemel open. De straat overstroomd binnen enkele minuten. Van de heuvels stroomt zo veel water dat er zich kleine watervalletjes creëeren. Het is een regenstorm waar lang op gehoopt was. De waterstand van de rivier was ronduit dramatisch. De aanlegsteiger voor boten was zelfs al met een graafmachine dieper gemaakt. Gezien een boot het belangrijkste vervoersmiddel is van de lokale bevolking moest de droogte niet veel langer duren. De Orang Asli, de inheemse stammen, leven immers van twee inkomstenbronnen: visserij en toerisme.
Een regenbui van het gigantische kaliber zoals deze kan natuurlijk vreselijk zijn als je nog in de jungle loopt. Denk bijvoorbeeld aan de mobiele apparaten die je zonder waterdichte tas bijna onmogelijk droog kan houden. Ik was gelukkig mooi op tijd. Ik staar uit het open raam van mijn kamer naar het natuurgeweld dat zich volledig ontlaadt over de omgeving. Naast een enorme wolkbreuk, welke niet van ophouden weet, gaat ook Thor tekeer met zijn hamer. Stralen van licht snijden zowel verticaal, als horizontaal, als diagonaal door het luchtruim. De stralen lijken nog niet verdwenen te zijn of er klinkt een mokerslag die zijn weerga niet kent. Ik loop even naar het overdekte terras om een praatje met de eigenaresse van het hotel te maken. Samen staren we naar de wereld om ons heen. Bijzonder hoe snel het hier om kan slaan.

Ik heb een nachtsafari gemaakt, een hele dag rondgetrokken, overnacht in de jungle, een boottocht gemaakt, een middag rondgetrokken en ik ben over de ‘Canopy Walkway’ gelopen. Een heel erg complete ervaring van deze prachtige jungle lijkt mij zo. Wat kan ik nou nog meer wensen? Nou, eigenlijk weet ik wel wat. Een rustdagje lijkt mij wel heel erg lekker!
Zo spendeer ik de dag ontspannen op het terrasje voor het hotel. Ik lees wat in mijn boek. Geregeld schrijf ik zelf ook wat, ik werk aan mijn artikel over het zuiden van Thailand. Daarnaast oefen ik was met mijn oude kapotte shifter. Ik had deze bewaard nadat ik in het Thaise Krabi een nieuwe had gekocht. Ik wil proberen om hem te repareren. Lukt dit niet dan heb ik in ieder geval wat ervaring opgedaan met de werking van het onderdeel. Om het verhaal samen te vatten: ik kon hem niet repareren.
imageIk schroef alle bruikbare onderdelen los voor eventuele reserves. Een idee schiet mij te binnen. Ik zou waarschijnlijk van een paar onderdelen een stuurklem kunnen maken waar ik mijn GoPro aan kan bevestigen. Ik zaag een stuk pvc buis af en boor daar een gat in. Met boutjes zet ik deze vast aan een ring van de shifter. Een combinatie van plastic onderdelen van de GoPro klem ik om de pvc buis. De ring schuif ik aan mijn stuur. Boutjes aandraaien, even de juiste positie instellen en klaar is Kees. Perfect, ik wou dat ik zoiets al vanaf het begin van mijn reis had gehad!
De avond breng ik door met de Duitse Randy. De eigenaresse vraagt of ze me even kan spreken. Ze woont officieel in een dorpje verderop en wilt heel graag even voor een paar dagen naar huis. Ze had al aan de andere gasten doorgegeven dat die één nachtje kunnen blijven. Ze voegt er aan toe dat ik kosteloos zo lang kan blijven als ik zou willen. Wel moet ik dan even ’s avonds de deur op slot draaien en alle stroom uitzetten. Ik bedank haar heel erg voor haar lieve gastvrijheid en vriendelijkheid maar ik ben van plan morgenochtend weer te vertrekken. Wel zal ik haar aanbod hartelijk aannemen mocht ik van gedachten veranderen. Voor de afgelopen vier nachten moet ik wel even betalen al trekt ze daar nog eens een dag van af “Je hebt één nacht in de jungle geslapen.” beredeneerd ze. Apart om in een hotel te verblijven waar helemaal geen personeel aanwezig is.

De volgende ochtend sluit ik volgens instructies alles af. Vervolgens volg ik dezelfde heuvelachtige weg terug als waar ik over was aangekomen. De terugreis gaat een stuk gemakkelijker dan de heenreis. Ten eerste verga ik niet van de spierpijn en ten tweede rij ik in verhouding meer heuvelafwaarts.
Aan het eind van de dag kook ik een noodle maaltijd bij mijn kampeerplek. Halverwege de afwas leg ik de spons in het pannetje. Ik ga rechtop staan en staar blanco voor mij uit. Het is acht uur. Ik sta stil bij de vrijheid waarmee ik geboren ben. Ik herdenk de slachtoffers die letterlijk alles gegeven hebben om de wereld te maken tot wat hij is. Daarnaast denk ik aan de dierbare die ik zelf verloren heb en bedank hun voor dat ze er waren. Uiteindelijk kijk ik op mijn telefoon, het is vier over acht. Tijd om af te maken waar ik mee bezig was; de afwas.

Ik volg de Sungai Pahang rivier welke uitmondt in de oostkust. Het gebied is zoals bijna overal in Maleisië bijzonder groen. Apen families slingeren door de bomen. Geregeld zitten ze langs de weg of steken ze ook over. Een van de wegvluchtende apen kan ik identificeren als de stompstaart makaak, een redelijk zeldzaam soort welke vrijwel alleen in Maleisië is te vinden.
Langs de rivier zijn vele kleine Orang Asli dorpjes. In tegenstelling tot hun volksgenoten die in de Taman Negara leven hebben zij een volledig modern bestaan. Daarnaast zijn ze dus ook niet afhankelijk van toerisme. Wel zo fijn want zo’n poppenkast vind ik maar niks. Hier komen ze voornamelijk rond van de visserij en landbouw. De Orang Asli zijn overigens Animistisch. Een religie die veel weg heeft van het Chinese Taoïsme. In plaats van goden aanbidden zij de krachten en invloeden van moedernatuur. Daar proberen zij dan ook zo veel mogelijk mee in harmonie te leven.

Vlak voor de kustplaats Pekan ontdek ik een lek in een waterleiding. Wat een zegen! Het is snikheet en ik ben echt aan verkoeling toe. Ik parkeer Bandhoo, klim met ontbloot bovenlichaam op de grote waterleiding en spoel mijn lichaam af. Het klinkt misschien gek maar het gevoel is echt fantastisch. Moet je je eens voorstellen: je fietst met 40 graden Celsius urenlang door een heuvelachtig gebied. Je begint al wat licht in je hoofd te worden door de brandende zon. Je bent jezelf aan het pushen “Nog maar zes kilometer dan kan je uitrusten in de stad”. Je fluistert in jezelf “Dit is echt ongelofelijk.”. Het volgende moment krijg je een koude douche over je heen, net zo lang als je wilt. Uiteindelijk met een koud doorweekt t-shirt en muts stap ik weer op. Ik kon op het moment niks beters verzinnen dan deze lekkende blauwe waterleiding.
Het is nog niet gedaan met de pret. Zodra ik Pekan in fiets stop ik bij een restaurantje. Ik bestel nasi lemak. De man zegt “Ik heb ook ABC!”, “Klinkt goed, doe maar!” antwoord ik. Ik heb geen flauw benul wat ik zojuist besteld heb maar de man klonk zo enthousiast dat ik het moet proberen. In een schaaltje verschijnt geschaafd ijs met siroop, op de bodem liggen bonen, mais en snoepjes. Wat voelde deze man goed aan dat ik een flinke schep ijs prima kan gebruiken. De combinatie van de ingrediënten is overigens ook echt super lekker. ABC, dat moet ik onthouden.

imageIk volg de route langs de kust in zuidelijke richting. Helaas loopt de weg over het algemeen net iets te ver van het strand af om deze te kunnen zien. Het gebied is erg bosrijk en dat komt mij erg goed uit. Geregeld duik ik even de schaduw in en lees mijn boek. Zo verloopt de dag erg ontspannen en dan toch het uiteindelijk een erg productief fietsdagje geweest te zijn.

image

’s Nachts werd ik weer getergd door een mierenplaag. De pesticide stank van de vorige plaag is nog niet uit mijn tent verdwenen of ik sproei weer rond. Dit keer verdedig ik mijzelf echter tactischer. Ik probeer zo veel mogelijk mieren bij elkaar te verzamelen om zo in één keer om te leggen.

imageWaar bos is daar zijn natuurlijk apen en waar apen zijn daar vindt je ook apenstreken. Op de route richting het vissersdorp Mersing zie ik er dan ook tientallen. Allemaal leuk en aardig natuurlijk, totdat een makaak achter je aan begint te rennen. Ik wacht niet af totdat hij zijn intentie duidelijk gemaakt heeft. Met een luide oerbrul roep ik “Zeg meneer, ik ben hier niet van gediend. Wilt u wellicht stoppen met mij te stalken? Dank u zeer.” wat uitgesproken dient te wordt als “HEEEUUUJ!!”. De makaak begrijpt uiteraard mijn verzoek en staakt de achtervolging.
In Mersing twijfel ik of ik door zal gaan of daar een hotel zal nemen. Het zou namelijk wel handig zijn om even wifi te hebben. Ik wacht een tijdje in de lobby van een verlaten hotel. De receptie is nergens te bekennen. Plots valt mijn oog op een briefje met het wifi wachtwoord. Zo kan het natuurlijk ook opgelost worden. De buurman is een Chinees restaurant. Daar bestel ik dus maar een maaltijd om uiteindelijk weer wat kilometers te maken. Het laatste setje kilometers van Maleisië weliswaar. Morgenmiddag hoop ik de grens naar Singapore over te steken.
imageIk sta half zes ’s morgens op en pak mijn tent snel in. Ik hoop het grootste deel van de rit voor de hete middagzon afgetikt te hebben. De hele dag loopt dan ook feilloos. De weg is relatief druk. Dat is logisch want het is de hoofdweg die verschillende grote steden met elkaar verbindt. Wanneer ik vlak voor de grensplaats Johor Bahru ben neemt de temperatuur gestaag toe. Net wanneer ik het zwaar begin te krijgen voel ik een druppel. Er volgen er al snel nog meer. Hoe is het mogelijk. Moedernatuur geeft me een zetje in de juiste richting.
Inmiddels ben ik op de drukke vierbaans snelweg beland. Auto’s vliegen voorbij met een snelheid vijf keer hoger dan die van mij. Afslagen die ik niet hoef te nemen zijn spannend. Wachten tot de verdrijfvlakken zijn benaderd, kijken of de kust veilig is en snel een baantje, of twee, opschuiven. Al snel heb ik grensovergang bereikt, al kan het mij niet snel genoeg met dit soort wegen. Ik kan de oversteekplaats voor voetgangers niet zo snel vinden, ik besluit mij daarom maar bij de brommers en motoren aan te sluiten. De Maleisische grenspost door verloopt probleemloos. Daarna steek ik de brug naar het eiland Singapore over voor de tweede stap. Er staat een bordje “Verboden voor fietsers” langs de weg. Tsja, ik kan nu moeilijk terug; tegen het verkeer in. De douanier doet niet moeilijk over het feit dat ik op een fiets zit. Wel wordt hij wat knorrig omdat ik geen immigratie formulier heb ingevuld; die heb ik dan ook nergens zien liggen. Gelukkig kan dat ter plaatsen en krijg ik mijn stempeltje. Wanneer ik de immigratiepost verlaat staat er een tweede verkeersbord gericht aan fietsers “Fietsers dienen af te stappen en hun fiets over de drempel te duwen”. Dat is tegenstrijdig, ik dacht dat fietsers verboden waren.

Al met al is het mij gelukt. Ik heb het meest zuidoostelijke land van het Aziatische continent bereikt waar geen boot of vliegtuig voor benodigd is. Van de groene jungles van Maleisië ben ik naar de betonnen jungles van Singapore gereden. Wat is Maleisië toch ook een bijzonder land. Van Kolonialistische steden tot diepe oerwouden. Het land is één van de groenste in Zuidoost Azië. Naast de flora is ook de fauna fantastisch. De mooiste vogels vliegen geregeld stukken met mij mee. Zeearenden cirkelen rondom de kustgebieden op zoek naar een prooi. Apen kom je overal buiten de steden tegen. Kijk ook niet gek op wanneer een slang of schorpioen je pad kruist. Wen ook maar vast aan een kennismaking met een ruim anderhalf meter lange hagedis. Vooral langs slootjes wil zich nog wel eens een veraan begeven. Soms staken ze vlak voor mij langs de weg over. Daarvan was ik zelfs één keer bang om over hem heen te rijden. Gelukkig wist hij nog op het nippertje voor mijn banden weg te glibberen. Ondanks waarschuwingsborden voor wilde olifanten en miereneters op de weg heb ik slechts een miereneter gezien in de Taman Negara. Ook wel even fijn om geen wilde olifant tegen het lijf te lopen. En ohja heb ik al verteld dat de Maleisische bevolking enorm gastvrij is? De bevolking is voornamelijk islamitisch maar er zijn verbazend veel Indiase invloeden te zien. De details in de hindoe tempels zijn geregeld zeer indrukwekkend. Al met al was Maleisië een prachtland om doorheen te rijden. Maleisië, het was weer een mooi avontuur!

Dan wil ik jullie als laatste eventjes bedanken voor het indrukwekkende geduld om keer op keer mijn eindeloze verhalen tot het eind uit te lezen!

Laat me weten of je het artikel leuk vindtShare on Facebook0Tweet about this on TwitterShare on Google+0Share on LinkedIn0

7 thoughts on “Jim uit de jungle

  1. ronald says:

    Mooie tocht door Maleisie. Wat een afwisseling. Top conditie: hard werken bij 40 graden in de jungle. Een paar kilometer extra lopen, betekent dan al snel vele uren lopen. Maar dat is ook geen straf op zo’n gave plek. Leuk om te lezen ondat we daar met Rinske ook zijn geweest. De foto met de woudreus vind ik heel herkenbaar. Mooi verhaal weer, gave herinneringen …

  2. Elly says:

    Wat een mooi land hè Maleisië ! Al vind ik overnachten in de jungle an de Taman Negara wel heftig hoor met al die kriebel beesten om je heen. Gelukkig dat die enorme bui een dagje later gevallen is. Heb weer genoten van je verhaal!! Heel veel liefs en we houden zeker de foto’s in de gaten xx

  3. Nelly says:

    Hey Jim, wat een verhaal weer, fijn dat je al die indrukken zo goed weet te omschrijven. Voor ons om te lezen, maar ook later voor jezelf om nog eens terug te lezen wat je allemaal hebt meegemaakt.

    Zoveel vrijheid om te doen wat je op dat moment wilt doen . . . doet de vraag opkomen, of je ooit nog een van 9 tot 5 baan zou willen hebben . . . Nou ja daar hoef je nu in ieder geval nog niet aan te denken.

    Ik kijk uit naar je volgende blog 🙂 Groetjes van Jan en mij.

  4. Lisa says:

    Aaaah geweldig! Overnachten in de jungle vond ik al spannend terwijl wij gewoon in huisjes zaten. Jij bent voor niks bang hè? 🙂 Hele coole verhalen weer! Xx

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *